NEPA is genomineerd voor een Tegel

Hoera! Never Expect Power Always, de podcastserie die ik maakte met mijn geweldige collega Maite Vermeulen voor De Correspondent is genomineerd voor een Tegel in de categorie audio. We voelen ons vereerd en dankbaar.

Mocht je de serie nog nog niet kennen, kijk op het platform van De Correspondent. De omgeving werd ontworpen door Luka van Diepen en Heleen Emanuel.

Studio Updates zomer/najaar 2020

Hieronder een selectie van projecten die afgelopen seizoen de studio passeerden:

Voor Sol Archer werkte ik aan de kunstinstallatie ‘World-Building is a Collective Enterprise’ over Braziliaanse lhbtiq+ jongeren die elkaar vinden door het dansen op K-Pop nummers in de publieke ruimte. (mix/sounddesign)
https://www.solarcher.co.uk/world-building-is-a-collective-enterprise/

Voor Maike Hemmers werkte ik aan de installatie ‘Desire Digests What Moves It’. (mix/sounddesign)
http://www.maikehemmers.com/

Voor filmmaker Misha Beliën werkte ik aan de film ‘Loslaten in liefde’, een documentaire over het hospice ‘De liefde’. (mix/sounddesign) https://www.youtube.com/watch?v=YHMCF3EdC8Q

In opdracht van de VPRO en Human Factor TV werkte ik voor regisseur Jorne Baard aan het programma ‘Een progamma over de jaren negentig’. (mix/sounddesign)
https://www.vpro.nl/programmas/een-programma-over-de-jaren-negentig.html

Voor klassiek pianist Kirril Gerstein produceerde ik een seminar met jazzpianist Brad Mehldau. (productie)
https://www.youtube.com/watch?v=uWgi5rqNQ70

Voor The Correspondent produceerde ik de serie ‘A Good Life’ met oud Wired journalist Emily Dreyfuss. (concept/production) https://thecorrespondent.com/793/podcast-this-is-what-the-ancient-greeks-can-teach-us-about-living-in-a-modern-world/104956182760-f8bfc5bc

Voor The Correspondent was ik verantwoordelijk voor het ontwerp van de voorgelezen verhalen. (concept/sounddesign)
https://thecorrespondent.com/listen

Voor De Correspondent maakte ik samen met Maite Vermeulen de podcastserie Never Expect Power Always (NEPA) over de haperende stroomvoorziening in Lagos Nigeria. (co-auteur/production) https://decorrespondent.nl/nepa

Voor De Jonge Woudloper mixte ik een album met elektronische muziek dat in 2021 zal verschijnen. (mixing)

Voor This Works mocht ik wat vertellen over kunst in coronatijd. (filosofie) https://vimeo.com/420283169

Studio updates voorjaar/zomer 2020

Gelukkig gaat het werk in de studio gewoon door, zelfs in deze bijzondere tijd.

Voor De Correspondent maakte ik weer een heleboel podcasts. Naast veel productie/montage en het inlezen van voorgelezen verhalen, maakte ik ook een aantal podcasts. Hieronder een paar voorbeelden.

Met Marjolijn van Heemstra maakte ik De Binnenbühne. Een serie waarin toonkunstenaars die nu even niet op het podium mogen staan, de luisteraar vertellen en laten horen wat ze nu missen moeten. De Volkskrant schreef er een stukje over.

De Correspondent · De binnenbühne – Zangeres Wende hoopt dat haar internationale doorbraak tóch komt

Met Marjolijn maakte ik ook een podcast over de maan. Een mooie samenwerking tussen Artis en De Correspondent waarin we omhoog kijken naar de maan met Milo Grootjen van het Planetarium.

De Correspondent · De thuisastronaut. Wat je ziet als je scherpstelt op de maan

Met journaliste Maite Vermeulen maakte ik een podcast over asielzoekers in coronatijd.

De Correspondent · Maite Vermeulen en Jacco Prantl – Thuis blijven zonder thuis: asielzoekers in de coronacrisis

Met Zeno Siemens maakte ik een podcast over geluidsgeweldenaar Gordon Hempton over leren luisteren en de laatste stille plekjes op aarde. Deze pod kwam ook uit op The Correspondent.

The Correspondent · Zeno Siemens and Jacco Prantl – Learning to listen with Gordon Hempton

Omdat veel televisie projecten nu even opgeschort zijn omdat er nog niet echt opgenomen kan worden, deed ik verder nog wel wat commerciële muziek en vertelde ik iets over kunst en filosofie in coronatijd bij ThisWorks.

View this post on Instagram

Hoe kunnen wij deze crisistijd duiden en wat leert het ons? Jacco Prantl, onder meer audioredacteur bij De Correspondent, biedt ons een kunst en corona-tip om te voelen in welk water wij zwemmen of zwommen. Wat is normaal, en willen wij normaal? Dit kan de tijd zijn waarin je beseft wat belangrijk voor je is. Wij hebben geen invloed op hoe de situatie gaat uitpakken. Wellicht leert deze tijd om ons op het heden te richten en op wat wij kunnen en moeten doen. Niet uitstellen. Het leven staat niet op pauze en gaat verder. Jacco Prantl is maker en filosoof. Hij is sinds jaar en dag gefascineerd door geluid en produceert voor musea, film en tv. This Works nodigt kunstenaars, cultureel ondernemers, curatoren en anderen uit het culturele veld uit om hun inzicht en ervaringen in coronatijden te delen.

A post shared by This Works (@thisworks_club) on May 21, 2020 at 10:07am PDT

Daarnaast werkte ik nog aan een filminstallatie voor kunstenaar Maike Hemmers voor een tentoonstelling bij MAMA in Rotterdam, monteerde ik nog enkele commerciële podcasts en maakte ik de muziek voor commercials van een grote autofabrikant (binnenkort meer). Op dit moment ben ik ook weer volop muziek aan het mixen. In het najaar verwacht ik de release van een aantal van deze projecten.

NIEUWS – studio updates nog-net-geen-voorjaar 2020

Afgelopen maanden gingen heel snel voorbij. Hier in het Audio Atelier is het nodige gebeurd. Een paar kleine hoogtepunten waren:

– ‘Wat er van ons overblijft’
Met de geweldige Marjolijn van Heemstra maakte ik voor De Correspondent een audio-essay over de Voyagers, de elektronische ogen en oren die de Amerikanen eind jaren ’70 de ruimte inschoten en die nog altijd op reis zijn. Ze bevinden zich inmiddels buiten ons zonnestelsel.
Ze zijn niet alleen een wetenschappelijk wonder, maar vooral ook een voertuig en podium voor ons zelfbeeld in de vorm van twee gouden platen waarop wij aan denkbeeldige aliens uit proberen te leggen wie de mens is.

-Voor Rachel Visscher deed ik de audio-post voor haar Instagramproject @byfarihah. De beeldroman vertelt het verhaal van de Afghaanse Farihah die gevlucht is naar Nederland, maar niet mag blijven.
Het project bevat naast foto’s, ook video’s met originele muziek van Jan Minnaard.

Daarnaast produceerde ik de nodige podcasts, interviews en commercials voor De Correspondent en daarbuiten. Ik werkte onder andere aan de promotiefilm voor ‘Het water komt’ van Rutger Bregman.

Ook staat het NHS (Engelse National Health Service) project waar ik aan werkte inmiddels online. Filmmaker en kunstenaar Seecum Cheung maakte een drietal bijzondere video’s over vooroordelen onder artsen.

Er staan voor ‘De Corrie’ weer een aantal mooie projecten in de planning. Daarnaast verwacht ik te werken aan een nieuwe televisieserie voor de VPRO van regisseur Jorne Baard, komt er wellicht nog een heuze Brabantse horrorfilm op de snijtafel te liggen (de financiering is inmiddels rond, hoera!) en ga ik komende tijd aan de slag met de unieke kunstenaar Pilar Mata Dupont voor een enorm ambitieuze feature film. Zij is op dit moment in Argentinië voor de laatste opnames en waarschijnlijk verschijnt er in juli al een klein deel van dit project.

NIEUWS – Cello Girls EP – presentatie C&H Gallery

(Spheres nr. 2, Emily Kocken)

Met celliste/kunstenaar Emily Kocken maakte ik de plaat Cello Girls. Het project is geïnspireerd op het werk van Fluxus celliste Charlotte Moorman.

Op 20 oktober zal Emily Kocken haar tentoonstelling openen in C&H Gallery. Op 27 oktober om 15u zal de plaat officieel worden gepresenteerd in de gallery.

Op 4 november zal er een presentatie plaatsvinden in Concerto in Amsterdam.

 

NIEUWS – opening Pilar Mata Dupont – Only Weeds Emerge

Donderdag 27 september om 19u zal de opening plaatsvinden van de tentoonstelling Only Weeds Emerge van Pilar Mata Dupont in Tent Rotterdam.
Voor de multichannel installatie The Ague verzorgde ik de audio opnames in Kew Gardens Londen en het sounddesign.

De tentoonstelling zal te zien zijn tot 2 december 2018. Gaat dat zien.

Artikel over de gevolgen van flexibilisering in het onderwijs

Onlangs schreef ik een stukje op Scienceguide over de uitholling van het onderwijs door flexibilisering en managerslogica.

 

De Flexwet holt het onderwijs uit

24 juli 2018 | ‘Docent van het jaar 2018’, dat was de titel die Helga Donga praktisch tegelijkertijd ontving met haar ontslag op de Avans Hogeschool. Het contract van Donga wordt namelijk niet verlengd. Veel universiteiten en hogescholen geven nauwelijks vaste contracten.
De huidige ontwikkeling is niet alleen verdrietig voor Donga en voor haar studenten die een uitstekend docent moeten missen, maar ‘flexibilisering’, zoals dit eufemistisch wordt genoemd, heeft in de afgelopen jaren de structuur van het hoger onderwijs stilaan veranderd. Inhoudelijke kennis, expertise en onderwijskwaliteiten zijn hierdoor een ondergeschikte rol gaan spelen.

Onderwijs is een product geworden dat wordt geleverd door instellingen die gericht zijn op groei en bestuurd worden als grote ondernemingen. Docenten zijn in deze structuur steeds minder eigenaar van het onderwijs en worden de rol van bedienend personeel toebedeeld. Dit is niet alleen een praktische verandering, zoals hogescholen en universiteiten vaak willen doen geloven, maar gaat fundamenteel uit van een heel ander idee van wat onderwijs zou moeten zijn.

De inzet van eigen uitzendbureaus

Sinds de invoering van de flexwet in 2015 is het moeilijker geworden om het geven van een vast contract uit te stellen. Iemand heeft na twee tijdelijke contracten recht op een vaste overeenkomst. De gedachte was dat mensen nu makkelijker zouden worden aangenomen. “Mensen verdienen houvast, greep op hun leven” betoogde toenmalig Minister Asscher op ouderwets strijdbare sociaaldemocratische toon.

De realiteit is echter dat het personeelsbeleid van een groeiend aantal onderwijsinstellingen wordt verzorgd door eigen uitzendbureaus. Docenten krijgen tijdelijke contracten met nauwelijks onderhandelbare arbeidsvoorwaarden voorgelegd. Als ze goed functioneren, dan krijgen ze een eenmalige verlenging vaak gevolgd door het verzoek of ze zich een half jaar elders willen vermaken. Daarna mogen ze terugkeren onder een nieuwe tijdelijke overeenkomst.

“Docenten krijgen tijdelijke contracten met nauwelijks onderhandelbare arbeidsvoorwaarden voorgelegd.”

Het gevolg van dit beleid is dat sommige vakken worden gegeven door steeds weer nieuwe docenten die hopen met enthousiasme en overwerk toch te mogen blijven. Uit diverse onderzoeken (onderzoek SP, FNV, eigen monitor HvA, UvA) blijkt dat structureel onbetaald overwerk heel normaal is.

Tragikomische maatregelen

De instituten stellen de norm voor het aantal uren dat ze bereid zijn te betalen voor bepaalde werkzaamheden. Dat het aantal begrote uren zelden toereikend is, wordt gezien als de verantwoordelijkheid van de docent. Deze zou efficiënter met haar/zijn tijd moeten omgaan.

Sommige universiteiten en hogescholen zeggen een actief beleid te voeren om de werkdruk te verlagen. Ze nemen tragikomische maatregelen zoals cursussen ‘hoe om te gaan met stress’ en ontwerpen e-mailprotocollen waarin er bijvoorbeeld verteld wordt dat men ‘s avonds niet op e-mail hoeft te reageren. Hoe het werk dan af komt waar men overdag niet aan toekomt, staat niet in dat protocol. Eigenlijk blijkt hier vooral uit dat de instellingen niet zo zitten met overspannen personeel: uitval is slechts een reden om het contract niet te verlengen.

Bestuurder bepaalt slechts de structuur

Een veelgehoord argument is dat personele flexibiliteit noodzakelijk is omdat het moderne onderwijs dynamisch is: studentenaantallen fluctueren en de financiering is mede afhankelijk van de grillen van de Haagse politiek. De structuur van het onderwijs moet daarom zoveel mogelijk onafhankelijk zijn van het personeel. Het uitvallen van een docent mag immers de continuïteit van het onderwijs niet in gevaar brengen.

“Hoe het werk dan af komt waar men overdag niet aan toekomt, staat niet in dat protocol.”

Bestuurders benadrukken hierbij vaak dat ze zich niet met de inhoud van het onderwijs bemoeien, maar slechts de structuur bepalen. Het onderwijs wordt daarmee gezien als een trein die aan de gang gehouden moet worden door een capabel machinist. Het zou immers vreemd zijn om van iedere treinmachinist te verlangen dat zij/hij voor vertrek een eigen locomotief ontwerpt en bouwt.

Deze redenering legt een onderwijsvisie bloot die bestuurbaarheid en efficiëntie aanbidt. Dit zijn afgoden uit de kerk van het bedrijfsleven. Onderwijsinstellingen gedragen zich als ondernemingen die de precaire omstandigheden voor het personeel doelbewust creëren omdat dit bedrijfsmatig gunstig is. In de pseudo-commerciële realiteit van het hoger onderwijs is vast personeel immers een bedrijfsrisico. Het in stand houden van die onzekerheid heeft bovendien als voordeel dat het personeel geen onderhandelingspositie heeft en zich heel lastig collectief kan organiseren.

Deze bedrijfsmatige mentaliteit blijkt ook uit de managementstructuur, die lijkt op de structuur van een beursgenoteerd bedrijf, inclusief de privileges die CEO’s van moderne grote bedrijven zich veroorloven. Onder het mom van verhoging van de efficiëntie, is het college van bestuur steeds machtiger geworden. Hoewel er de afgelopen jaren opnieuw een steeds luidere roep was om democratisering, blijkt daar in praktijk maar weinig van terecht te komen.

Inspraak door studenten en docenten wordt gezien als raad die wordt meegenomen in de besluitvorming, maar niet als werkelijke machtsfactor. Deze rationaliteit komt ook terug in de lagere bestuursstructuren: waar de professor bijvoorbeeld van oudsher de baas van een vakgroep was vanwege expertise en belangwekkend onderzoek, gaat modern hoogleraarschap vooral over het vermogen om fondsen te werven en te beheren.

De universiteit als bedrijf

Zelfs de gebouwen die men in hoog tempo bouwt hebben tegenwoordig een flexibele structuur waarin het onmogelijk is om een eigen plek te creëren, vaak tot grote onvrede van het personeel. Uw werkplek wordt morgen bezet door een ander, aldus de disciplinerende uitstraling van de uniforme bureaus. Een dergelijke inrichting ontmoedigt bijvoorbeeld het werken met boeken – althans met meer boeken dan u dragen kunt – en ook hierdoor wordt een gevoel van autonomie actief tegengegaan.

Wie de universiteit als een bedrijf ziet en niet als een institutie, kan niet anders dan redeneren in termen van financiële efficiëntie. Men gaat hier echter geheel voorbij aan het feit dat onderwijsinstellingen instituties zijn, die zijn gebouwd op relaties en tradities die uit hun aard niet gestroomlijnd kunnen zijn.

“Wie de universiteit als een bedrijf ziet en niet als een institutie, kan niet anders dan redeneren in termen van financiële efficiëntie.”

Kennisoverdracht bestaat bij de gratie van de ruimte voor contact. Zelfontplooiing van studenten en docenten impliceert ook het afdwalen van platgetreden paden en het experimenteren met kaders en structuren. Daarmee zijn lessen altijd specifiek én tegelijkertijd onderhevig aan vorming door de traditie en het werkveld. Iedere docent is onderdeel van een permanente discussie onder gelijken over de lessen uit het verleden en de implicaties voor de toekomst van hun vakgebied. Hiervoor is het belangrijk dat het personeel een veilige omgeving wordt geboden. Zij moeten het vertrouwen hebben dat hun investeringen bijdragen aan een betere toekomst waar ook zij onderdeel van zijn.

Onderwijs is in essentie een creatieve bezigheid waarvan de kwaliteit grotendeels bepaald wordt door de overtuiging van mensen dat het zinvol is om hun kennis en ervaring over te dragen. Dat is de bron van hun enthousiasme en toewijding. Het moet een levende praktijk blijven van mensen – studenten en docenten – die, gedreven door passie voor de zorg voor hun vak en voor anderen, zichzelf binnen wettelijke kaders ontplooien door het vormgeven van hun eigen werk. Het management zou hierbij corvee moeten verrichten ten bate van het personeel en de studenten. Hierbij past bescheidenheid en een dienstverlenende houding.

NIEUWS – Leenstelsel leidt tot tweedeling in de maatschappij – ScienceGuide

Ik schreef een stuk voor ScienceGuide over de sociale gevolgen van de studiefinanciering gebaseerd op het leenstelsel.

Sinds de invoering van het leenstelsel in 2015 is het sociale doel van de studiefinanciering steeds verder op de achtergrond geraakt. De invoering van het stelsel brak ooit de wereld van het hoger onderwijs open waardoor iedereen die de capaciteiten had voor een studie, ook de mogelijkheid te geven om te studeren. Nu zijn de schulden die de studiefinanciering veroorzaakt steeds meer een extra belasting op armoede die de kans op opwaartse sociale mobiliteit beperkt.
Een rapport van het Nibud van afgelopen november kwam tot de verontrustende conclusie dat studenten gemiddeld steeds meer lenen. Kranten schreven over leenwoede onder studenten om zo op (te) grote voet te leven. De voorzitter van de AFM, Merel van Vroonhoven zegt zelfs dat er studenten zijn die lenen om in Bitcoins te beleggen .

De suggestie lijkt dat studenten het eigenlijk zo breed hebben, dat ze van gekkigheid niet weten wat ze moeten doen met het geld van al die publiek gefinancierde leningen. Een andere verklaring lijkt net zo logisch: de resultaten uit het Nibud rapport laten zich anders lezen wanneer men in ogenschouw neemt dat de studenten voor wie de studiebeurs het hardst nodig is, zich steeds minder inschrijven voor het hoger onderwijs. Al veel eerder bleek namelijk dat de invoering van het leenstelsel vooral negatieve gevolgen had voor de instroom van studenten uit kwetsbare groepen en voor de doorstroom van mbo’ers naar het hoger onderwijs. Dit zijn bij uitstek de groepen voor wie de financiering van een studie een uitdaging is en die in mindere mate kunnen rekenen op een bijdrage van de ouders.

Lenen is niet toereikend

Zelfs het hoogste leenbedrag is nauwelijks toereikend om in de grote studentensteden te wonen, te studeren en te leven. Studenten die fors gesteund worden door hun ouders, hebben hier minder last van. Voor hen is de DUO lening gedeeltelijk een extraatje. Deze jongeren hebben waarschijnlijk al minder leenvrees omdat zij opgroeien met het idee dat ze later dezelfde mate van financiële zekerheid zullen verwerven als hun ouders. Een schuld van 50.000 euro lijkt minder significant wanneer het bijvoorbeeld normaal is dat er thuis wel eens een auto voor een dergelijk bedrag gekocht wordt. Dit is ook een groep voor wie de kapitaaloverdracht steeds vroeger begint: veel ouders zien zich door de kamernood genoodzaakt om een koophuis te financieren voor hun kind; wat door de lage rente, de snel stijgende prijzen en een royale fiscale schenkingsregeling, ook nog eens een aantrekkelijke belegging is.

De wereld voor de student zonder ouders die kunnen of willen bijdragen aan de studie van hun kinderen ziet er heel anders uit. Met de invoering van het leenstelsel in 2015 is ook de terugbetalingstermijn uitgebreid. Een student mag de lening nu in 35 jaar terugbetalen, in plaats van in 15 jaar. Voor een student die de studie helemaal zelf financiert en met 25 jaar begint met terugbetalen, wil dat zeggen dat men met een bescheiden salaris bijna het hele werkzame leven terugbetaalt. Ook leent men meer doordat de gehele financiering nu een lening is geworden en de OV kaart nu ook moet worden afbetaald. Wie na de studie aan de slag wil als leraar of verpleegkundige zal ieder jaar weer worden geconfronteerd met een weging van het inkomen door de overheid waarbij een eventuele salarisverhoging dan keurig afgeroomd wordt door een verhoogde afbetaling.

Bovendien is het verkrijgen van een hypotheek door voor deze groep een stuk lastiger geworden aangezien de studieschuld inmiddels gewoon als schuld wordt aangemerkt door de bank. Zonder eigen huis is het door de kunstmatig laag gehouden rentes nauwelijks nog mogelijk om kapitaal op te bouwen. Sparen kost nu alleen nog maar geld. Tegelijkertijd zijn de woonlasten enorm gestegen en maken alleen de laagste inkomens nog kans op een sociale huurwoning waardoor het terugbetalen aan DUO voor veel gezinnen aanzienlijk drukt op het inkomen.

Daar komt nog bij dat zodra men fiscaal partner wordt, bijvoorbeeld door het krijgen van een kind, men ook mede verantwoordelijk is voor de studieschuld van de partner. Gaat de een meer en de ander minder werken, dan wordt alleen de betaalsleutel anders, de bedragen blijven gelijk. Ook als een van de twee de kans heeft om de schuld ineens af te lossen, bijvoorbeeld doordat men een bedrag erft, dan betaalt zij/hij voortaan meer mee aan de schuld van de partner. Het is daarmee niet onvoorstelbaar dat zich daardoor situaties kunnen voordoen waarbij de studieschuld belangrijke levensbeslissingen zoals samenwonen of kinderen krijgen direct beïnvloedt.

DUO als databoer

De data die DUO beheert, is bovendien zeer privacygevoelig. Vaak heeft men niet alleen jarenlange inkomensdata van de schuldenaar, maar ook van diens familie en partner. In een interview op Scienceguide bejubelde de directeur het nieuwe computersysteem van DUO. Ze zijn nu een “knooppunt van onderwijsdata” en “een heuse ICT-organisatie geworden”. Dat men opschept over de mogelijkheden van nieuwe datatechnologie, is reden tot zorg.

Eerder bleek al dat DUO er niet voor terugschrok om reisdata bij Translink op te vragen onder het mom van fraudebestrijding. Hoewel de organisatie zelf stelt “dat ze niet meer in zo’n grijs gebied terecht willen komen“, is het onduidelijk waar precies de grenzen liggen. De organisatie beheert immers zelf zoveel gevoelige data, dat analyse en koppeling van de reeds beschikbare data al vergaande gevolgen kan hebben. Het risico is dat de burger die aangewezen is op DUO te maken krijgt met een schuldeiser die preventief uw gangen nagaat. De studieschuld wordt daarmee steeds meer een vorm van curatelestelling.

Studielening leidt tot tweedeling

Studiefinanciering was ooit bedoeld om kansengelijkheid te bevorderen. De financiële situatie van de ouders moest geen belemmering zijn voor een kind om te kunnen studeren. Inmiddels grijpt het systeem intensief en langdurig in in het leven van juist de groepen die deze financiering het hardst nodig hebben. De aankomende student die niet in staat is om van huis uit geld mee te brengen, wordt voor een keuze gesteld die enorm ingrijpende gevolgen kan hebben voor het hele werkzame leven. Vooral voor jongeren die het als kind thuis niet ruim hadden, is het vooruitzicht op een hoge schuld een extra druk waarvan juist zij de consequenties maar moeilijk kunnen inschatten.

Terwijl ‘rijke’ studenten de studiefinanciering schijnen te zien als een goedkope lening die men aantrekkelijk elders kan investeren, staat de toegang tot het hoger onderwijs voor kwetsbare groepen door het huidige stelsel ernstig onder druk. De regering zou er daarom wellicht goed aan doen om nog eens te evalueren of het huidige stelsel van studiefinanciering niet een extra drempel opwerpt voor de groep voor wie de financiering bij uitstek bedoeld is; vooral in een tijd waarin het volgen van hoger onderwijs steeds meer wordt gezien als een startkwalificatie voor een kansrijke carrière.