NIEUWS – opening Silent Majority – Tetem Enschede

30 november opent de tentoonstelling Silent Majority in Tetem in Enschede waar ik als curator en schrijver bij betrokken ben.

Deelnemende kunstenaars:
Anne-Marie Meertens, Domenique Himmelsbach de Vries, Gunter Gruben en Viktoria Gudnadottir.

In samenwerking met Trendbureau Overijssel

Over de tentoonstelling:

De meeste mensen hoor je niet. In de media zijn degenen die hun stem verheffen vaak het best vertegenwoordigd, waardoor we het makkelijkst verstaan wat eenvoudig te roepen is. In Nederland lijkt het poldermodel van overleg en consensus de laatste jaren steeds meer naar de achtergrond te verdwijnen ten gunste van de nadruk op verschillen en standpunten aan de uiterste zijden van het spectrum.

Aan de stille meerderheid werd eind jaren zestig gerefereerd door Nixon om zijn Vietnamoorlog te rechtvaardigen: er waren weliswaar talrijke protesten, maar de meeste mensen deden hier niet aan mee en waren daarom vóór die oorlog, zo redeneerde hij. Ook in Nederland wordt een dergelijke redenering vaak van stal gehaald. ‘Henk en Ingrid’, ‘de hardwerkende Nederlander’ of simpelweg ‘de mensen’ zijn metaforen voor een groep van wie de politicus van dienst graag steun veronderstelt, maar de afbakening van deze groep gebeurt vaak alleen in negatieve zin: om een contrast te schetsen met de buitenstaander van wie men afstand neemt. Wie zijn deze mensen? Treffen we hier dé Nederlander aan van wie Koningin Maxima tot ergernis van velen ooit het bestaan ontkende? Zijn zij gehuld in gematigdheid en calvinisme, gedreven door werklust, zuinigheid en gemeenschapszin? Of kenmerken zij zich door diversiteit en een gebrek aan gedeelde waarden en zorgen?

De kunstenaars die deelnemen aan Silent Majority zoeken naar sporen van een groep waarvan verbeelding ook het probleem van definitie blootlegt: het gematigde midden krijgt gemakkelijk vorm in statistieken en analyses van beleidsmakers, maar deze vanzelfsprekende samenhang lijkt bij nadere beschouwing vaak weer te verdwijnen. Wat kenmerkt deze groep behalve hun onzichtbaarheid?

Gebrek aan productieve kunstkritiek – iedereen is recensent

 

Jeroen Vullings maakt zich kwaad over de boekenrubriek in De Wereld Draait Door (De Willekeur Draait door, Vrij Nederland 27 oktober 2017). In die rubriek zitten vier boekhandelaren aan tafel die een boek aanprijzen als ‘boek van de maand’. Natuurlijk heeft hij gelijk wanneer hij de autoriteit en de literaire deskundigheid ter discussie stelt: het zou opmerkelijk zijn als alle aanwezige boekverkopers ook nog eens de bagage hadden van een literair criticus zoals Vullings die beschrijft: ‘een onzeglijke figuur die je leert kennen door zijn beargumenteerde admiratie én verwerping van bepaalde literatuur’.

Anderzijds kan men zich afvragen of het zelfportret dat Vullings van de echte criticus schetst niet onderdeel is van het probleem. De beargumenteerde admiratie en verwerping vindt tegenwoordig voor het overgrote deel plaats door een waardering in de vorm van ballen, sterren of andere manieren van rangschikking. De argumentatie voor die waardering is noodgedwongen door de jaren heen steeds een stukje korter geworden: recensies in kranten zijn vaak beperkt tot een paar alinea’s en DWDD is een van de weinige programma’s die enige zendtijd aan literaire boeken besteedt. Hoewel het werk van Vullings hier nog vaak een positieve uitzondering is omdat men in Vrij Nederland relatief veel ruimte inruimt voor literaire recensies, is het de vraag of hij de literaire kritiek een dienst bewijst met het beeld van de recensent als elitaire voorproever.

Iedereen is tegenwoordig namelijk recensent. Je kunt geen pizza meer bestellen of je krijgt later een uitgebreide enquete over de ervaring met de koerier, de temperatuur bij aankomst en prijs/kwaliteit verhouding. Smaak lijkt grotendeels gedemocratiseerd, ook al getuige de vele verkiezingen, van boek van het jaar tot Nederlander van de eeuw. Het is de vraag of het smaakoordeel van een professionele lezer meer invloed heeft, dan de uitroep van een willekeurig iemand aan tafel bij Van Nieuwkerk. Commercieel gezien lijkt het de door DWDD ongenuanceerd aangeprezen boeken in ieder geval geen windeieren te leggen. Het platform lijkt leidend.

Het is bovendien te makkelijk om de schuld hiervan geheel bij De Wereld Draait Door neer te leggen. De formule van het programma nodigt uit tot een oppervlakkige beschouwing van wat er dan ook ter tafel komt. Al jarenlang wordt menig kunstenaar, muzikant, schrijver of theatermaker verscheurt door het dilemma om zijn of haar ziel te verkopen ten gunste van de eigen bestaanszekerheid of druk van de uitgever. De Wereld Draait Door grossiert in lege superlatieven voor wat er dan ook ter tafel verschijnt en een uitnodiging voor het programma lijkt dan ook veel meer te maken te hebben met het vermogen van de maker om grappig en ad rem te kunnen reageren, dan met de kwaliteit van het gebodene. Dat Vullings zich hieraan ergert is logisch, maar om het gebrek aan nuance en deskundigheid te betreuren, lijkt niet zo zinvol.

Het oordeel van de recensent lijkt buiten de niche van fanatieke en geïnformeerde lezers nauwelijks meer een hogere status te genieten dan de advies dat de Consumentenbond geeft over de aanschaf van een bepaald strijkijzer; het functioneert vaak nog slechts als aankoopadvies.

Het is ontzettend jammer dat de kunstkritiek in bredere zin zich dat niet meer aantrekt en in opstand komt tegen hun rol als marktkoopman. Ik zou dan ook willen pleiten voor een kritiek die zich richt op het engagement met het besproken werk. Hiermee moet ik bijvoorbeeld denken aan de stukken over film van Pauline Kael, de recensent van de New York Times tot begin jaren negentig. Ook zij sprak vaak ‘beargumenteerde admiratie’ of ‘verwerping’ uit, maar dit was niet de essentie van haar werk. Kaels werk ging over kijken in bredere zin. Vaak was een film een aanleiding om het over een bepaald thema te hebben of over bepaalde technieken. Haar smaakoordeel was onderdeel van een veel bredere opvatting over wat film zou kunnen zijn, waardoor haar beste stukken soms gingen over de films die ze het minst waardeerde. Daardoor was het bekijken van de films waar ze over schreef ook niet noodzakelijk.

De enige redding voor de deskundigheid van de kritiek is dan ook om zich te richten op stukken die zelf productief zijn; waar de tekst niet alleen een argumentatie voor het eindoordeel (‘4 uit 5 ballen) is, maar vooral de ambitie heeft om de toeschouwer of lezer iets te laten zien waar hij/zij zonder de enorme deskundigheid van de recensent nog nooit aan gedacht had. De lezer komt daardoor tot inzichten die hij/zij meeneemt bij de ervaring met een volgend werk. Recensenten hebben door hun ruime referentiekader toegang tot een wereld waarin zij bijzondere verbanden kunnen leggen binnen de kunsten die een leek ontgaan. De enige manier om weerstand te bieden aan een wereld waarin kunst slechts entertainment is, is het schrijven van ambitieuze stukken die een nieuwe wereld openen met de recensent als gids.

Gekunstelde verontwaardiging

 

 

Beatrix Ruf, de directeur van het Stedelijk Museum, is gisteren opgestapt ‘in het belang van het museum’ na ophef over haar nevenactiviteiten na publicaties in NRC Handelsblad. In de media schreeuwt men moord en brand: het liefst had men deze zakkenvuller een trap na gegeven. Dat men zo geschrokken is van haar zakelijke belangen is opmerkelijk gezien het feit dat deze uitgebreid zijn belicht bij haar benoeming. Naar aanleiding van deze discussie plaatste Christiaan Braun in 2014 paginagrote advertenties in Het Parool, NRC Handelsblad en in de Volkskrant waarin hij protesteerde tegen de mogelijke belangenverstrengeling die door de benoeming van Ruf zou kunnen ontstaan.

Dergelijke problematiek is al veel langer inherent verbonden aan de hedendaagse kunstwereld. De verhouding tussen de windhandel op de internationale kunstmarkt en de essentiële rol die publiek gefinancierde musea spelen bij de waardevergaring van hedendaagse kunst is velen al jaren een doorn in het oog. Probleem is alleen dat het voor musea enorm lastig is om stelling te nemen tegen de invloed van grote handelaars, veilinghuizen en beurzen omdat het maken van grote tentoonstellingen en verwerven van nieuwe objecten onderdeel uitmaken van een ingewikkeld diplomatiek spel. Een goede beheersing van dit spel is essentieel om de reputatie van een museum te kunnen opbouwen en handhaven. Om een directeur te benoemen zonder commercieel netwerk zou een gewaagde beslissing zijn.

Daar komt nog eens bij dat de overheid de musea steeds meer dwingt tot het aantrekken van private financiering. Interessant daarbij is dat die overheid net doet alsof die financiering tot stand komt door het warme gevoel dat hedendaagse kunst losmaakt bij de mecenassen en geen onderdeel uitmaakt van een transactie waarbij de geldschieter een zakelijk belang nastreeft.

Mijn indruk was destijds dat Amsterdam koste wat het kost een directeur wilde binnenhalen die de reputatie had om relevante actuele tentoonstellingen te maken zonder dat het de historische collectie zou schaden. Het lijkt logisch dat men zoekt naar een bestuurder die een innig contact heeft met de markt en de kunstkritiek om te zorgen dat de steun voor jonge kunstenaars geen enorme risicofactor zou worden voor het museum. Ruf is invloedrijk, heeft nauw contact met handelaars en verzamelaars en ook curatoriaal is zij een stem van belang. Het tapijt waar de lastige kwesties van de afbakening tussen museale belangen en haar eigen commerciële belangen onder verdwenen is, leek me ergens geweven rond het aantreden van de nu zo alom bejubelde Kajsa Ollengren als opvolger van Carolien Gehrels. De wethouder die kunstenaars steevast ‘cultureel ondernemers’ noemt, zegt namelijk ‘onaangenaam verrast’ te zijn (ANP 17 oktober). Of die verrassing alleen voortkomt uit de hernieuwde aandacht, vertelt ze niet, want het lijkt toch wel erg onwaarschijnlijk dat ze hier niets van wist.

 

Het kwalijke aan deze zaak is dat het allang bekend was dat er ingewikkelde kanten zaten aan de bestuursstructuur van het Stedelijk. Zo wordt er ook al jaren bezwaar gemaakt tegen het feit dat het Stedelijk Museum Fonds voor een groot deel uit handelaars bestaat waardoor museale beslissingen ook invloed zouden kunnen hebben op de waarde van handelscollecties. Een ethische discussie over deze gecompliceerde problematiek lijkt hoognodig, maar de indruk die nu met veel bombarie gewekt wordt is dat Ruf iedereen om de tuin leidde, terwijl het me veel aannemelijker lijkt dat men haar zakelijke netwerk met veel egards heeft gefaciliteerd omdat men dat in het belang van het museum, de collectie en de stad achtte.

Natuurlijk valt er een goede boom op te zetten over de kunstwereld die gigantische sommen verdient over de ruggen van publiek gefinancierde musea, maar dat Ruf hier ineens het middelpunt van is geworden, lijkt buitengewoon ongelukkig. Amsterdam had met Ruf een directeur die het Stedelijk van een internationaal profiel voorzag en hoewel er over de artistieke koers natuurlijk altijd discussie mogelijk is, lijkt me het een vergissing dat we Ruf nu op deze knullige en hypocriete manier tot symbool te maken van het opportunisme van een veel grotere groep belanghebbenden.

De twijfelachtige ethiek van homeopathie

(foto: Ashley Vincent)
Hoewel Rosanne Hertzberger in haar column van 30 september (‘Homeopathie in zijn geheel bij het vuil te zetten is zonde en contraproductief’)aangeeft dat zij ook wel inziet dat homeopathie en andere kwakzalverij hun oorsprong vinden in bedrog of in misinformatie, pleit zij er toch voor dat artsen patiënten zouden moeten doorverwijzen naar deze ‘alternatieve behandelaars’ omdat we de placebowerking van deze nepgeneesmiddelen serieus zouden moeten nemen.
Hertzberger lijkt zich te vergissen in het werkingsmechanisme van een placebo. Het blijkt inderdaad uit gedegen onderzoek dat bij aspecifieke klachten zoals hoofdpijn of moeheid waarvan de oorzaak na medisch onderzoek niet goed is aan te wijzen, blijkt dat het innemen van een nepmiddel kan leiden tot een kleine, maar significante vermindering van de subjectieve ervaring van deze klachten. Patiënten geven dan mondeling aan, na inname van wat later zal blijken een nepmiddel, bijvoorbeeld minder hoofdpijn of moeheid te ervaren. In onderzoek waarin het meten van verbetering plaatsvond met een objectieve test, zoals bijvoorbeeld een bloeddrukmeting, blijkt er geen placebo effect op te treden.
Nu is het isoleren van het effect van het innemen van het middel alleen zelf ten opzichte van andere factoren extreem lastig. Zo blijkt bijvoorbeeld dat er ook een placebo effect uitgaat van de uitgebreide monitoring die met een dergelijk wetenschappelijk onderzoek gepaard gaat en zo zijn er nog veel omgevingsfactoren die een rol kunnen spelen in het resultaat.
Zelfs als we er voor het gemak even vanuit gaan dat het positieve effect afkomstig is van de inname van het nepmiddel, dan is gebleken dat als de patiënt weet dat hij/zij een middel krijgt toegediend dat geen werkzaam effect heeft, de placebowerking wegvalt. Het geloof in het middel, is in tegenstelling tot het anekdotisch bewijs dat Hertzberger aanhaalt, wel degelijk essentieel voor de werking (zie hiervoor bijvoorbeeld de uitgebreide analyses op de gerenommeerde website sciencebasedmedicine.org)
Voor een succesvolle behandeling met een placebo is het dus belangrijk dat de patiënt gelooft dat de behandeling werkt. Dat we niet van artsen kunnen vragen om te liegen tegen patiënten ziet Hertzberger ook wel in en daarom zouden zij moeten doorverwijzen naar kwakzalvers. Zij lijkt hiermee een twijfelachtig ethisch verschil te suggereren tussen de arts die direct liegt tegen een patiënt of de arts die doorverwijst naar iemand die het liegen overneemt. Of de kwakzalver zelf gelooft in de werkzaamheid van zijn/haar handelen, doet er wat dat betreft niet toe, want de arts kan de patiënt niet volledig en juist informeren omdat de behandeling anders zo goed als zinloos zou zijn.
Waarom Hertzberger het beperken van alternatieve geneeswijzen paternalistisch vindt, maar tegelijkertijd artsen wil aanmoedigen om hun machtspositie te misbruiken om patiënten voor eigen bestwil illusies voor te spiegelen, is een raadsel. Dat ze patiënten hiermee grond biedt voor een gemotiveerd wantrouwen tegen artsen en daarmee het risico op niet of laat behandelen van ernstige ziekten vergroot, lijkt me precies de reden waarom we het advies van de EASAC serieus moeten nemen en homeopathie en andere kwakzalverij ernstig zouden moeten beperken of verbieden.

NEWS – work in progress

There is a lot going on in the Audio Atelier HQ Studio. Here is a quick update of some of the projects that are running at the studio at this time.

This year I’ll be teaching again at the AKI University of the Arts in Enschede. Aside from the philosophy course for fine arts students, that was already running last year, there will be a new subject that is all about theory in practice.
I’m very excited as this subject is very close to my heart. In collaboration with an artist we will try to awake students to the creative power of theory. For a lot of art students philosophy, theory, and art history is something of a nuisance that interferes with the process of establishing a practice as an artist. In a contemporary art environment that leans heavily on theory, terms like ‘artistic research’, and ‘conceptuality’ are sometimes used lightly, but for a young artist it can be incredibly hard to connect a thorough interest in certain subjects with the practical act of creating objects that aren’t illustrations or explanations of a theoretical point. The wider questions underlying this course is: how can theory and art critique/analysis be a creative vehicle to inspire a visual art practice? And how can the practice of theory itself be seen as a creative endeavour?

I’m still working on a popmusic project with a singer/guitarist about which I will soon be finally allowed to talk about. Right now we’re still in the production phase and currently I’m planning a new round of studio sessions rerecording the demo’s that we’ve already made.

I’m working on several short movies that will be released later this year and at the beginning of 2018.

I’m still doing a lot of sounddesign, mixing and composition for commercials. I will update the ‘work’ page soon.

For the VPRO I’m working at a series that will be broadcasted in the beginning of October. Updates Soon.

For the Tetem Museum in Enschede I’m working on the exhibition ‘Silent Majority’ that will run from the 30 November 2017 till 4 March 2018.

In collaboration with artist and writer Emily Kocken we will be creating a bigger installation piece. Right now Emily is promoting her new novel ‘De kuur’ that you definitely should check out. It’s excellent.

There is a new international trailer for the film Raffaelo in het Wild. This film by Rachel Visscher that I worked on, is already in the selection of the following festivals: Cannes, Kinow Trampach, Gödöllo, Strano FilmFestival, Doxs, Wildlife FF Rotterdam, Cinekid.
There is also a screening at Diergaarde Blijdorp at October 15.

Onder studenten met ‘leverage’ geen leenvrees

 

Afgelopen dagen stond er in vrijwel elke krant een stuk over een rapport van het Nibud dat afgelopen vrijdag werd gepresenteerd waaruit bleek dat studenten steeds meer en makkelijker lenen en die lening ook steeds vaker gebruiken voor zaken die niet direct met de studie te maken hebben (zie ook: ‘Rijbewijs halen met geld van ‘Ome DUO’’ in de NRC van 1 september 2017). Deze ‘verdwenen leenangst’ zorgt ervoor dat men spaart, op vakantie gaat en rijbewijzen haalt met het geld dat DUO uitleent tegen een extreem lage rente.

Nu is dit wel een vrij eenzijdige interpretatie van het rapport. De suggestie lijkt dat studenten het eigenlijk zo breed hebben, dat ze van gekkigheid niet weten wat ze moeten doen met het geld van al die publiek gefinancierde leningen, maar een andere verklaring lijkt net zo logisch: de resultaten uit het Nibud rapport laten zich anders lezen wanneer men in ogenschouw neemt dat de studenten voor wie de studiebeurs het hardst nodig is, zich steeds minder inschrijven voor het hoger onderwijs. Al veel eerder bleek namelijk dat de invoering van het leenstelsel vooral negatieve gevolgen had voor de instroom van studenten uit kwetsbare groepen en voor de doorstroom van mbo’ers naar het hoger onderwijs (zie de monitorrapportage uit 2016). Dit zijn bij uitstek de groepen voor wie de financiering van een studie een fikse opgave is en die in mindere mate kunnen rekenen op een bijdrage van de ouders.

Zelfs het hoogste leenbedrag is nauwelijks toereikend om in een stad als Amsterdam te wonen, te studeren en te leven. Voor de studenten die fors gesteund worden door hun ouders, is de DUO lening gedeeltelijk een extraatje en dit zijn bovendien bij uitstek vaak de jongeren die opgroeien met het idee dat ze later dezelfde mate van financiële zekerheid zullen verwerven als hun ouders. Een schuld van 50000 euro lijkt minder significant wanneer het bijvoorbeeld normaal is dat er regelmatig een auto voor een dergelijk bedrag gekocht wordt. Dit is ook een groep voor wie de kapitaaloverdracht steeds vroeger begint: zo zien veel ouders zich door de kamernood genoodzaakt om een koophuis te financieren voor hun kind; bovendien is dit door de lage rente, de snel stijgende prijzen en de soepelere regels rond schenkingen, een aantrekkelijke belegging.

Ook de overheid zendt hier al jaren dubbele signalen uit. Het Nibud spreekt nu van voorlichting om verantwoord te lenen, maar toenmalig Minister van Onderwijs Ronald Plasterk stuurde ooit brieven rond aan alle studenten om de leenangst te sussen. Het zouden leningen zijn waar je eigenlijk verder weinig last van had en die je eenvoudig terugbetaalde zodra je een baan kreeg na de studie. Ook volgens Minister Bussemaker moet men een lening gewoon zien als een ‘investering in de toekomst’. Het is daarom niet vreemd dat studenten de lening van DUO niet exclusief als studiebijdrage zien, maar als geld dat ze vrij kunnen investeren in hun toekomst. Zorgelijker is dat de studenten voor wie een dergelijke lening grote reële gevolgen zou kunnen hebben in de eerste 35(!) jaar na hun studie, steeds vaker menen dat risico niet meer te kunnen dragen en zo langzaam uit de statistieken verdwijnen.

De kunstenaar hoeft zich niet te verantwoorden, de wetenschapper wel

De mogelijkheid om als kunstenaar aan een universiteit te promoveren doet nogal wat wenkbrauwen fronzen zo blijkt uit het artikel in de NRC van 21 juni (‘Eigen werk onder de loep nemen’). Dat kunst een vorm van kennis kan zijn, is onder geesteswetenschappers over het algemeen geen controversiële stelling. Welke kennis men zich voor kan stellen, hangt immers samen met vormen van verbeelding en de grenzen van het discours op een bepaald historisch moment. Verbeelding als fenomeen heeft grote gevolgen voor wat we kunnen kennen of kennen door kunnen.

 Zo is bijvoorbeeld de wetenschappelijke publicatie een cultureel object met literaire implicaties. Toen men vanaf de zestiende eeuw het wetenschappelijk paper langzaam als aanvaardbare literaire vorm voor de verslaglegging van experimenten ging zien, ontstond er daarmee ook een nieuwe praktische vorm voor het doen van experimenten zonder een publiek van getuigen. Om zichzelf als neutrale getuige te profileren, werd de wetenschapper schrijver.

Het is mooi dat de arbitraire scheiding tussen kunst en wetenschap wordt verkend omdat men zich daarmee ook openstelt voor een bredere discussie over wat kennis eigenlijk is en welke grenzen we stellen aan onze wetenschappelijke praktijk, waarvan de culturele vorm op ieder moment aan verandering onderhevig is. Ook de benoeming door de KNAW van een kunstraad is een positieve ontwikkeling.

We moeten alleen wel waken voor de idee dat de kunstenaar een geprivilegieerde toegang heeft tot werelden die anders verborgen zouden blijven als ware zij/hij een orakel. De kunstenaar als wetenschapper is er om wetenschappelijke en culturele grenzen te onderzoeken en wellicht te verleggen, maar het is belangrijk dat ook de kunstenaar rekenschap aflegt van de gangbare regels en de wetenschappelijke praktijk. Iedereen die zich in een gemeenschap begeeft, moet zich de regels eigen maken, juist om die eventueel later te kunnen buigen. De kunstenaar mag zich een maatschappelijke vrijplaats toe-eigenen in de kunsten, maar zodra hij/zij zich binnen de academie begeeft, moet er sprake zijn van een redelijke mate van conformisme. 

 Het enthousiasme van de universiteiten om deze titels uit te geven moet worden gewantrouwd, juist vanwege het functioneren van deze instituten als bedrijven en het geld dat vrijkomt voor het verstrekken van deze PhD’s. Op andere gebieden die minder sexy lijken, wordt inmiddels geen cent meer uitgegeven. Zo is het voor creatieve geesteswetenschappers inmiddels praktisch onmogelijk om te promoveren op eigen projecten. Het vele onderzoek waarin men diezelfde grens verkende met een gedegen wetenschappelijke achtergrond is bijna overal wegbezuinigd omdat daar het argument van de valorisatie vaak leidend wordt geacht. Fundamenteel geesteswetenschappelijk onderzoek in de kunsten is nu eenmaal een stuk moeilijker te slijten, dan de ontwikkeling van een nieuw medicijn.

Promovendi die aansluiten bij grotere beurzen worden hebben weinig vrijheid en worden vaak ingezet voor het geven van veel te veel onbetaald onderwijs. Binnen het onderwijs ontbreekt vaak iedere vorm van creatieve autonomie door het aanbrengen van strakke kaders die worden vastgelegd in lijvige handleidingen. Niet de kennis en creativiteit van de docent, maar de voortgang van de bedrijfsvoering onafhankelijk van het personeel is hier het hoogste doel.

De universiteiten doen er immers er alles aan om een normale arbeidsverhouding met het personeel te voorkomen. Zo heeft de UvA inmiddels twee uitzendbureaus om arbeidscontracten te ontduiken: loopt de periode bij het ene bureau af, dan kunt u bij het andere bureau weer in dienst treden op een tijdelijk contract voor hetzelfde salaris. De nieuwe Foucaults, Derrida’s en Deleuzes van deze wereld kunnen niet functioneren binnen het huidige academische klimaat en zoeken hun heil inmiddels elders.

Iedereen die het academisch onderzoek in de kunsten een warm hart toedraagt, zou zich ook moeten inzetten om dit gat te repareren. Het is verdrietig dat kunstenaars het gevoel kunnen krijgen dat hun aanzien afhangt van een titel. Dat zegt meer over de deuk in het aanzien van de kunsten na jaren liberale politiek, dan over het succes van deze promoties.

NIEUWS – artikel Geenstijl Volkskrant

 

 

17 mei schreef ik een stukje in de Volkskrant

 

 

 

Verleen GeenStijl niet de legitimiteit van een rebel

Als je op reis gaat is het belangrijk om te leren wat de gebruiken zijn in een bepaald land. Zaken die in het ene land heel beleefd zijn, doen in een andere omgeving de wenkbrauwen fronsen. Men maakt het snelst vrienden door bovendien te weten wanneer je sommige regels kunt overtreden zonder vervelende gevolgen: niets schept zo snel een band als een schuine mop op het juiste moment.

In het leger maakt men al jaren gebruik van dit principe. In Stanley Kubricks oorlogsfilm Full Metal Jacket zien we een groep rekruten ritmisch marcheren onder aanvoering van het geschal van obscene ritmische rijmpjes waarmee de ‘drillsergeant’ zijn mannen opjut.

Hoewel GeenStijl zichzelf graag ziet als een ondermijnende kracht, is het de vraag of het gevloek en getier werkelijk subversief is

Deze obsceniteiten zijn geen ondermijning van het gezag, maar juist een bevestiging: door grensoverschrijdend gedrag een openlijke plek te geven binnen de orde, worden die grenzen bevestigd en duidelijker afgebakend.

De website GeenStijl presenteert zich als een kwajongen die de hypocrisie van de gevestigde orde blootlegt door te schoppen tegen de mores. Hoewel ze zichzelf graag zien als een ondermijnende kracht, is het de vraag of het gevloek en getier werkelijk subversief is.

Elke schoolklas kent wel een schavuit. Zijn ongehoorzame gedrag is meestal gericht op het uitlokken van een reactie en vormt zelden een bedreiging voor de structuur van de school. De snotneus bevestigt namelijk impliciet de gang van zaken en vraagt vooral aandacht. Zelden leiden dergelijke streken tot een betekenisvolle aanpassing van het onderwijs.

GeenStijl heeft een gefundeerd standpunt noch alternatieve visie

Het seksisme, de obsceniteiten en het onredelijke gedrag van GeenStijl moeten daarom niet gezien worden als een politieke aanval op de Nederlandse normen en waarden. GeenStijl heeft geen gefundeerd standpunt, geen alternatieve visie en het zijn geen revolutionairen die zich buiten de orde begeven.

De vertegenwoordigers van de site zijn carrièregerichte, ijdele jongens. Ze praten graag over mooie auto’s, richten zich op die zaken die centen opleveren en vallen daarmee ruimschoots binnen de grenzen van wat men te pas en te onpas de BV Nederland pleegt te noemen.

Het enige gevaar schuilt in het feit dat men deze inmiddels grote bedrijven gaat beschouwen als een politieke factor bij wie men een samenhangend wereldbeeld veronderstelt. Kwajongens verdienen het om bestraffend te worden toegesproken wanneer ze stout zijn, maar verleen ze niet de legitimiteit van een rebel.