Academische democratisering vereist een gemeenschap

 

 

De laatste tijd mag je op de UvA overal over meepraten. Zo wordt het personeel en de studenten gevraagd om zich uit te spreken over de toekomst van de bibliotheek. De meest voor de hand liggende optie, namelijk het handhaven van de huisvesting aan het Singel is hierbij helaas geen onderdeel van de conversatie, want het verpatsen van het vastgoed is een integraal onderdeel van het rechtbreien van het financiële durfondernemerschap van deze onderwijsinstelling.

Enkele maanden geleden was er ook al een referendum bij de UvA over de invoering van een nieuw bestuursmodel. De keuze was nogal ingewikkeld, maar het kwam erop neer dat de studenten en het personeel de gelegenheid hadden om te stemmen voor een van vier modellen met verschillende mate van macht voor een college van bestuur en de gemeenschap van personeel en studenten.

Het is fijn dat men zijn best doet iets te doen met de protesten van de afgelopen tijd en de bezetting van het Maagdenhuis, maar het huidige probleem van de universiteit ligt helaas niet (alleen) besloten in de bestuursstructuur en is veel breder dan de UvA alleen. Het bestuur is weliswaar grotendeels verantwoordelijk voor het vermaledijde vastgoedbeleid, de steeds slechter wordende arbeidsomstandigheden en het gebrek aan autonomie, maar dit zijn allemaal indirecte gevolgen van het verdrag dat in 1999 in Bologne genomen is waarbij men de universiteit ontdaan heeft van een van haar fundamenten: pluriformiteit.

Het basale idee in Bologna was dat men het eens werd over procedures, regels en doelstellingen van het hoger onderwijs in Europa. Het voordeel hiervan was dat diploma’s makkelijker uitwisselbaar waren door de universele bachelor/master structuur en dat wetenschappelijk onderzoek meer in dienst zou komen te staan van praktische vragen uit de samenleving. Bovendien werd de doorstroming in het onderwijs verbeterd en werd internationale samenwerking een stuk eenvoudiger doordat iedereen zich committeerde aan dezelfde onderliggende kwaliteitseisen.

Naast een flink aantal praktische verbeteringen, heeft de hervorming ook geleid tot een versimpelde in de opvatting wat een universiteit is of zou moeten zijn: een praktische oplosser van problemen. Waar historisch is gebleken dat wetenschappelijke nieuwsgierigheid en onderzoek zin heeft omdat het veel problemen blijkt op te lossen, wordt dit nu omgedraaid: wetenschappelijk onderzoek heeft zin voor zover zij oplossingen brengt.

Een groot bijkomend voordeel hiervan was dat de onderzoeksresultaten ook nog eens een grotere commerciële waarde gingen vertegenwoordigen waardoor de universiteit beter in staat zou zijn om de eigen broek op te houden. Hierdoor werd bovendien een nauwere verstrengeling met het bedrijfsleven mogelijk waardoor het gat met de arbeidsmarkt kleiner zou worden; bedrijven direct kunnen investeren in onderzoek en de universiteit in staat zou worden gesteld om binnen de muren van het instituut bedrijfsmatige activiteiten te ontplooien ter meerdere glorie van de universitaire schatkist.

Wat in al deze hervormingen verloren is gegaan is de idee van de universiteit als publiek kennisinstituut dat niet alleen vragen oplost, maar ook steeds weer vraagt naar de aard van de vraag zelf. Een min of meer publiek forum dat een platform is voor het publieke gebruik van de rede. Met andere woorden een instituut dat telkens weer vraagtekens zet bij de veronderstellingen en de grond van de praktische vragen waar de maatschappij mee komt. Veel problemen veranderen of verdwijnen zelfs wanneer men de onderliggende vragen opnieuw definieert.

Huidige problemen als nepnieuws, asielinstroom en tweedeling vragen niet alleen om praktische oplossingen, maar ook om intellectuele kracht die in staat is om deze problemen niet alleen te zien in de termen waar ze in gesteld worden en te zoeken naar de beleidsoplossingen waar de politici om vragen, maar vooral om ook steeds opnieuw gesteld te worden. De academische gemeenschap zoekt dus niet alleen oplossingen, maar denkt ook na of de veronderstellingen die aan deze vragen ten grondslag liggen in een ander licht, niet geheel ander soort vragen en oplossingen oplevert. Wetenschap is met andere woorden dus ook een creatief proces waarbij een herdefinitie van problemen, verhoudingen en ethiek leidt tot nieuwe vragen, maar vooral ook tot andersoortige oplossingen.

Als de maatschappelijke verhoudingen op fundamenteel niveau niet worden meegenomen, dan zal men steeds antwoorden vinden volgens de voorwaarden die men eerst zelf stelt.

Het stellen van dit soort vragen vereist de vrijheid om te denken. Het denken op de universiteit was in het verleden gestoeld op een meester-gezel-leerling model. De veronderstelling was dat de academie een gemeenschap is waarin studenten en docenten gezamenlijk op zoek gaan naar antwoorden op vragen die door verwondering opkomen. De docent geeft hierbij niet alleen zijn individuele kennis door, maar zijn positie maakt ook onderdeel uit van een institutionele traditie waarin hij is ingebed waardoor hij ook bijdraagt aan het doorgeven van de kennistraditie van het instituut zelf.

Studenten die zich ontplooien op een faculteit werden gezien door hun hooggeleerde docenten en kunnen op die manier niet alleen onderzoekservaring opdoen door het overnemen van tijdrovend handwerk, maar ze hebben ruimte om hun kwaliteiten te ontdekken en een academische houding in de praktijk te leren. Hebben ze talent en maken zij zich onmisbaar, dan is er een kans om de academie voor langere tijd te bewonen en onder de vleugels van hun oude meesters uit te groeien tot wetenschappers.

Het instituut van de universiteit was hier de verzamelplaats voor doordat zij de structuur bood voor het verdelen van de gelden en het onderbrengen van de gemeenschap in haar gebouwen.  Zowel het onderzoek als het onderwijs wordt op die manier voortdurend opnieuw gedefinieerd. Waar de sterke en zwakke plekken van een faculteit zitten, wordt min of meer bepaald door de mensen die er op een bepaald moment werkzaam zijn.

Natuurlijk heeft dit ook nadelen: de kwaliteit van het onderwijs kan schommelen en men loopt een groter risico op tunnelvisie die ervoor kan zorgen dat er onevenredig veel onderzoeksmiddelen zouden kunnen worden besteed aan zaken die achteraf een doodlopende weg bleken.

Toch zijn de voordelen misschien nog wel veel groter. De universiteit is bij uitstek een plek waar niet alleen onderwijs gegeven wordt en onderzoek wordt gedaan, maar waar ook permanent de vraag gesteld zou moeten worden wat onderzoek en onderwijs eigenlijk precies is.

Sinds de Bologne overeenkomst zijn we gewend om onderwijs en onderzoek samen te vatten in modellen die de randvoorwaarden definiëren. Op veel faculteiten maakt men nauwkeurig gespecificeerde handleidingen voor ieder vak stelt een soort handleiding samen waarmee iedereen met een redelijke kennis van het vakgebied in staat zou zijn om dat vak te onderwijzen. Het onderwijs mag volgens die gedachte immers niet echt afhankelijk zijn van de personen die het geven. Iedereen is vervangbaar zo meent men.

Een tegenovergesteld idee is dat men wordt gedwongen om het eigen vakgebied steeds opnieuw te definiëren doordat de faculteit steeds weer wordt bevolkt door een wisselende groep mensen. Een deel van deze mensen blijft gedurende decennia aan het instituut verbonden, een ander deel is slechts een tijdelijke bewoner, maar iedereen draagt bij aan het fundament onder wat men onder goed onderwijs en onderzoek verstaat.

Hier ligt dus een radicaal en getrapt autonomie model aan ten grondslag waarin kleinere gemeenschappen binnen het grotere verband van de universiteit en het uitgebreide verband van de academische wereld steeds weer actief zoekt en bouwt aan de eigen definitie van wat goed onderzoek en onderwijs inhoudt. Deze definitie moet vervolgens verdedigen ten overstaan van het eigen instituut en de academische wereld in bredere zin. Peer review moet men dan dus letterlijk nemen, niet zoals nu het geval is alleen als kwaliteitsstempel op een specifiek onderzoek, maar ook als de discussie over de richting en de vormgeving van het vakgebied op zich.

Deze definitie ziet de studenten, het personeel, de archieven en de gebouwen als de essentie van de universiteit. De academie is dus geen bedrijf, maar een gemeenschap waarbij de verkoop van de gebouwen even desastreus is als het verlies van het personeel door de afwezigheid van langdurige arbeidsrelaties. Het model dat de studenten als klant ziet is een even grote misvatting als het van hogerhand vaststellen van productie en efficiëncyquota.

Bij deze universiteit is er sprake van een gemeenschap die zichzelf al grotendeels zelf bestuurt en voor wie het van groot belang is om een democratische structuur na te streven. Het is dan ook niet verbazingwekkend dat de huidige bedrijfscultuur van de universiteiten niet uitnodigt tot zelfbestuur, ook niet als daar een formeel dansje bij wordt gedaan, zoals dat bij het referendum op de UvA het geval is. Het CvB ziet vooral de uitslag onder het personeel als een bevestiging van het feit dat er helemaal geen interesse is in een uitbreiding van het zelfbestuur en knort tevreden.

Dat zelfs het personeel nu geen vertrouwen meer heeft in het investeren van tijd in zelfbestuur, zou men namelijk ook heel anders kunnen uitleggen: wellicht besteden zij de schaarse tijd die overblijft in hun tijdelijke contracten liever aan het schrijven van nog een aanvraag of artikel om ook volgend jaar weer een baan te hebben. Waarom zou men immers investeren in een gemeenschap waar men elk moment de wacht kan worden aangezegd?

2 comments

  1. Pingback: NIEUWS – column Linda Duits over de academie |
  2. Pingback: De portier als bindende voorwaarde | L i n d a D u i t s

Post a comment