NIEUWS – opening Silent Majority – Tetem Enschede

30 november opent de tentoonstelling Silent Majority in Tetem in Enschede waar ik als curator en schrijver bij betrokken ben.

Deelnemende kunstenaars:
Anne-Marie Meertens, Domenique Himmelsbach de Vries, Gunter Gruben en Viktoria Gudnadottir.

In samenwerking met Trendbureau Overijssel

Over de tentoonstelling:

De meeste mensen hoor je niet. In de media zijn degenen die hun stem verheffen vaak het best vertegenwoordigd, waardoor we het makkelijkst verstaan wat eenvoudig te roepen is. In Nederland lijkt het poldermodel van overleg en consensus de laatste jaren steeds meer naar de achtergrond te verdwijnen ten gunste van de nadruk op verschillen en standpunten aan de uiterste zijden van het spectrum.

Aan de stille meerderheid werd eind jaren zestig gerefereerd door Nixon om zijn Vietnamoorlog te rechtvaardigen: er waren weliswaar talrijke protesten, maar de meeste mensen deden hier niet aan mee en waren daarom vóór die oorlog, zo redeneerde hij. Ook in Nederland wordt een dergelijke redenering vaak van stal gehaald. ‘Henk en Ingrid’, ‘de hardwerkende Nederlander’ of simpelweg ‘de mensen’ zijn metaforen voor een groep van wie de politicus van dienst graag steun veronderstelt, maar de afbakening van deze groep gebeurt vaak alleen in negatieve zin: om een contrast te schetsen met de buitenstaander van wie men afstand neemt. Wie zijn deze mensen? Treffen we hier dé Nederlander aan van wie Koningin Maxima tot ergernis van velen ooit het bestaan ontkende? Zijn zij gehuld in gematigdheid en calvinisme, gedreven door werklust, zuinigheid en gemeenschapszin? Of kenmerken zij zich door diversiteit en een gebrek aan gedeelde waarden en zorgen?

De kunstenaars die deelnemen aan Silent Majority zoeken naar sporen van een groep waarvan verbeelding ook het probleem van definitie blootlegt: het gematigde midden krijgt gemakkelijk vorm in statistieken en analyses van beleidsmakers, maar deze vanzelfsprekende samenhang lijkt bij nadere beschouwing vaak weer te verdwijnen. Wat kenmerkt deze groep behalve hun onzichtbaarheid?

Gebrek aan productieve kunstkritiek – iedereen is recensent

 

Jeroen Vullings maakt zich kwaad over de boekenrubriek in De Wereld Draait Door (De Willekeur Draait door, Vrij Nederland 27 oktober 2017). In die rubriek zitten vier boekhandelaren aan tafel die een boek aanprijzen als ‘boek van de maand’. Natuurlijk heeft hij gelijk wanneer hij de autoriteit en de literaire deskundigheid ter discussie stelt: het zou opmerkelijk zijn als alle aanwezige boekverkopers ook nog eens de bagage hadden van een literair criticus zoals Vullings die beschrijft: ‘een onzeglijke figuur die je leert kennen door zijn beargumenteerde admiratie én verwerping van bepaalde literatuur’.

Anderzijds kan men zich afvragen of het zelfportret dat Vullings van de echte criticus schetst niet onderdeel is van het probleem. De beargumenteerde admiratie en verwerping vindt tegenwoordig voor het overgrote deel plaats door een waardering in de vorm van ballen, sterren of andere manieren van rangschikking. De argumentatie voor die waardering is noodgedwongen door de jaren heen steeds een stukje korter geworden: recensies in kranten zijn vaak beperkt tot een paar alinea’s en DWDD is een van de weinige programma’s die enige zendtijd aan literaire boeken besteedt. Hoewel het werk van Vullings hier nog vaak een positieve uitzondering is omdat men in Vrij Nederland relatief veel ruimte inruimt voor literaire recensies, is het de vraag of hij de literaire kritiek een dienst bewijst met het beeld van de recensent als elitaire voorproever.

Iedereen is tegenwoordig namelijk recensent. Je kunt geen pizza meer bestellen of je krijgt later een uitgebreide enquete over de ervaring met de koerier, de temperatuur bij aankomst en prijs/kwaliteit verhouding. Smaak lijkt grotendeels gedemocratiseerd, ook al getuige de vele verkiezingen, van boek van het jaar tot Nederlander van de eeuw. Het is de vraag of het smaakoordeel van een professionele lezer meer invloed heeft, dan de uitroep van een willekeurig iemand aan tafel bij Van Nieuwkerk. Commercieel gezien lijkt het de door DWDD ongenuanceerd aangeprezen boeken in ieder geval geen windeieren te leggen. Het platform lijkt leidend.

Het is bovendien te makkelijk om de schuld hiervan geheel bij De Wereld Draait Door neer te leggen. De formule van het programma nodigt uit tot een oppervlakkige beschouwing van wat er dan ook ter tafel komt. Al jarenlang wordt menig kunstenaar, muzikant, schrijver of theatermaker verscheurt door het dilemma om zijn of haar ziel te verkopen ten gunste van de eigen bestaanszekerheid of druk van de uitgever. De Wereld Draait Door grossiert in lege superlatieven voor wat er dan ook ter tafel verschijnt en een uitnodiging voor het programma lijkt dan ook veel meer te maken te hebben met het vermogen van de maker om grappig en ad rem te kunnen reageren, dan met de kwaliteit van het gebodene. Dat Vullings zich hieraan ergert is logisch, maar om het gebrek aan nuance en deskundigheid te betreuren, lijkt niet zo zinvol.

Het oordeel van de recensent lijkt buiten de niche van fanatieke en geïnformeerde lezers nauwelijks meer een hogere status te genieten dan de advies dat de Consumentenbond geeft over de aanschaf van een bepaald strijkijzer; het functioneert vaak nog slechts als aankoopadvies.

Het is ontzettend jammer dat de kunstkritiek in bredere zin zich dat niet meer aantrekt en in opstand komt tegen hun rol als marktkoopman. Ik zou dan ook willen pleiten voor een kritiek die zich richt op het engagement met het besproken werk. Hiermee moet ik bijvoorbeeld denken aan de stukken over film van Pauline Kael, de recensent van de New York Times tot begin jaren negentig. Ook zij sprak vaak ‘beargumenteerde admiratie’ of ‘verwerping’ uit, maar dit was niet de essentie van haar werk. Kaels werk ging over kijken in bredere zin. Vaak was een film een aanleiding om het over een bepaald thema te hebben of over bepaalde technieken. Haar smaakoordeel was onderdeel van een veel bredere opvatting over wat film zou kunnen zijn, waardoor haar beste stukken soms gingen over de films die ze het minst waardeerde. Daardoor was het bekijken van de films waar ze over schreef ook niet noodzakelijk.

De enige redding voor de deskundigheid van de kritiek is dan ook om zich te richten op stukken die zelf productief zijn; waar de tekst niet alleen een argumentatie voor het eindoordeel (‘4 uit 5 ballen) is, maar vooral de ambitie heeft om de toeschouwer of lezer iets te laten zien waar hij/zij zonder de enorme deskundigheid van de recensent nog nooit aan gedacht had. De lezer komt daardoor tot inzichten die hij/zij meeneemt bij de ervaring met een volgend werk. Recensenten hebben door hun ruime referentiekader toegang tot een wereld waarin zij bijzondere verbanden kunnen leggen binnen de kunsten die een leek ontgaan. De enige manier om weerstand te bieden aan een wereld waarin kunst slechts entertainment is, is het schrijven van ambitieuze stukken die een nieuwe wereld openen met de recensent als gids.

Gekunstelde verontwaardiging

 

 

Beatrix Ruf, de directeur van het Stedelijk Museum, is gisteren opgestapt ‘in het belang van het museum’ na ophef over haar nevenactiviteiten na publicaties in NRC Handelsblad. In de media schreeuwt men moord en brand: het liefst had men deze zakkenvuller een trap na gegeven. Dat men zo geschrokken is van haar zakelijke belangen is opmerkelijk gezien het feit dat deze uitgebreid zijn belicht bij haar benoeming. Naar aanleiding van deze discussie plaatste Christiaan Braun in 2014 paginagrote advertenties in Het Parool, NRC Handelsblad en in de Volkskrant waarin hij protesteerde tegen de mogelijke belangenverstrengeling die door de benoeming van Ruf zou kunnen ontstaan.

Dergelijke problematiek is al veel langer inherent verbonden aan de hedendaagse kunstwereld. De verhouding tussen de windhandel op de internationale kunstmarkt en de essentiële rol die publiek gefinancierde musea spelen bij de waardevergaring van hedendaagse kunst is velen al jaren een doorn in het oog. Probleem is alleen dat het voor musea enorm lastig is om stelling te nemen tegen de invloed van grote handelaars, veilinghuizen en beurzen omdat het maken van grote tentoonstellingen en verwerven van nieuwe objecten onderdeel uitmaken van een ingewikkeld diplomatiek spel. Een goede beheersing van dit spel is essentieel om de reputatie van een museum te kunnen opbouwen en handhaven. Om een directeur te benoemen zonder commercieel netwerk zou een gewaagde beslissing zijn.

Daar komt nog eens bij dat de overheid de musea steeds meer dwingt tot het aantrekken van private financiering. Interessant daarbij is dat die overheid net doet alsof die financiering tot stand komt door het warme gevoel dat hedendaagse kunst losmaakt bij de mecenassen en geen onderdeel uitmaakt van een transactie waarbij de geldschieter een zakelijk belang nastreeft.

Mijn indruk was destijds dat Amsterdam koste wat het kost een directeur wilde binnenhalen die de reputatie had om relevante actuele tentoonstellingen te maken zonder dat het de historische collectie zou schaden. Het lijkt logisch dat men zoekt naar een bestuurder die een innig contact heeft met de markt en de kunstkritiek om te zorgen dat de steun voor jonge kunstenaars geen enorme risicofactor zou worden voor het museum. Ruf is invloedrijk, heeft nauw contact met handelaars en verzamelaars en ook curatoriaal is zij een stem van belang. Het tapijt waar de lastige kwesties van de afbakening tussen museale belangen en haar eigen commerciële belangen onder verdwenen is, leek me ergens geweven rond het aantreden van de nu zo alom bejubelde Kajsa Ollengren als opvolger van Carolien Gehrels. De wethouder die kunstenaars steevast ‘cultureel ondernemers’ noemt, zegt namelijk ‘onaangenaam verrast’ te zijn (ANP 17 oktober). Of die verrassing alleen voortkomt uit de hernieuwde aandacht, vertelt ze niet, want het lijkt toch wel erg onwaarschijnlijk dat ze hier niets van wist.

 

Het kwalijke aan deze zaak is dat het allang bekend was dat er ingewikkelde kanten zaten aan de bestuursstructuur van het Stedelijk. Zo wordt er ook al jaren bezwaar gemaakt tegen het feit dat het Stedelijk Museum Fonds voor een groot deel uit handelaars bestaat waardoor museale beslissingen ook invloed zouden kunnen hebben op de waarde van handelscollecties. Een ethische discussie over deze gecompliceerde problematiek lijkt hoognodig, maar de indruk die nu met veel bombarie gewekt wordt is dat Ruf iedereen om de tuin leidde, terwijl het me veel aannemelijker lijkt dat men haar zakelijke netwerk met veel egards heeft gefaciliteerd omdat men dat in het belang van het museum, de collectie en de stad achtte.

Natuurlijk valt er een goede boom op te zetten over de kunstwereld die gigantische sommen verdient over de ruggen van publiek gefinancierde musea, maar dat Ruf hier ineens het middelpunt van is geworden, lijkt buitengewoon ongelukkig. Amsterdam had met Ruf een directeur die het Stedelijk van een internationaal profiel voorzag en hoewel er over de artistieke koers natuurlijk altijd discussie mogelijk is, lijkt me het een vergissing dat we Ruf nu op deze knullige en hypocriete manier tot symbool te maken van het opportunisme van een veel grotere groep belanghebbenden.

De kunstenaar hoeft zich niet te verantwoorden, de wetenschapper wel

De mogelijkheid om als kunstenaar aan een universiteit te promoveren doet nogal wat wenkbrauwen fronzen zo blijkt uit het artikel in de NRC van 21 juni (‘Eigen werk onder de loep nemen’). Dat kunst een vorm van kennis kan zijn, is onder geesteswetenschappers over het algemeen geen controversiële stelling. Welke kennis men zich voor kan stellen, hangt immers samen met vormen van verbeelding en de grenzen van het discours op een bepaald historisch moment. Verbeelding als fenomeen heeft grote gevolgen voor wat we kunnen kennen of kennen door kunnen.

 Zo is bijvoorbeeld de wetenschappelijke publicatie een cultureel object met literaire implicaties. Toen men vanaf de zestiende eeuw het wetenschappelijk paper langzaam als aanvaardbare literaire vorm voor de verslaglegging van experimenten ging zien, ontstond er daarmee ook een nieuwe praktische vorm voor het doen van experimenten zonder een publiek van getuigen. Om zichzelf als neutrale getuige te profileren, werd de wetenschapper schrijver.

Het is mooi dat de arbitraire scheiding tussen kunst en wetenschap wordt verkend omdat men zich daarmee ook openstelt voor een bredere discussie over wat kennis eigenlijk is en welke grenzen we stellen aan onze wetenschappelijke praktijk, waarvan de culturele vorm op ieder moment aan verandering onderhevig is. Ook de benoeming door de KNAW van een kunstraad is een positieve ontwikkeling.

We moeten alleen wel waken voor de idee dat de kunstenaar een geprivilegieerde toegang heeft tot werelden die anders verborgen zouden blijven als ware zij/hij een orakel. De kunstenaar als wetenschapper is er om wetenschappelijke en culturele grenzen te onderzoeken en wellicht te verleggen, maar het is belangrijk dat ook de kunstenaar rekenschap aflegt van de gangbare regels en de wetenschappelijke praktijk. Iedereen die zich in een gemeenschap begeeft, moet zich de regels eigen maken, juist om die eventueel later te kunnen buigen. De kunstenaar mag zich een maatschappelijke vrijplaats toe-eigenen in de kunsten, maar zodra hij/zij zich binnen de academie begeeft, moet er sprake zijn van een redelijke mate van conformisme. 

 Het enthousiasme van de universiteiten om deze titels uit te geven moet worden gewantrouwd, juist vanwege het functioneren van deze instituten als bedrijven en het geld dat vrijkomt voor het verstrekken van deze PhD’s. Op andere gebieden die minder sexy lijken, wordt inmiddels geen cent meer uitgegeven. Zo is het voor creatieve geesteswetenschappers inmiddels praktisch onmogelijk om te promoveren op eigen projecten. Het vele onderzoek waarin men diezelfde grens verkende met een gedegen wetenschappelijke achtergrond is bijna overal wegbezuinigd omdat daar het argument van de valorisatie vaak leidend wordt geacht. Fundamenteel geesteswetenschappelijk onderzoek in de kunsten is nu eenmaal een stuk moeilijker te slijten, dan de ontwikkeling van een nieuw medicijn.

Promovendi die aansluiten bij grotere beurzen worden hebben weinig vrijheid en worden vaak ingezet voor het geven van veel te veel onbetaald onderwijs. Binnen het onderwijs ontbreekt vaak iedere vorm van creatieve autonomie door het aanbrengen van strakke kaders die worden vastgelegd in lijvige handleidingen. Niet de kennis en creativiteit van de docent, maar de voortgang van de bedrijfsvoering onafhankelijk van het personeel is hier het hoogste doel.

De universiteiten doen er immers er alles aan om een normale arbeidsverhouding met het personeel te voorkomen. Zo heeft de UvA inmiddels twee uitzendbureaus om arbeidscontracten te ontduiken: loopt de periode bij het ene bureau af, dan kunt u bij het andere bureau weer in dienst treden op een tijdelijk contract voor hetzelfde salaris. De nieuwe Foucaults, Derrida’s en Deleuzes van deze wereld kunnen niet functioneren binnen het huidige academische klimaat en zoeken hun heil inmiddels elders.

Iedereen die het academisch onderzoek in de kunsten een warm hart toedraagt, zou zich ook moeten inzetten om dit gat te repareren. Het is verdrietig dat kunstenaars het gevoel kunnen krijgen dat hun aanzien afhangt van een titel. Dat zegt meer over de deuk in het aanzien van de kunsten na jaren liberale politiek, dan over het succes van deze promoties.

NEWS – 2017 is coming!

In contrary to the recent silence on this website, I have been incredibly busy last couple of months and I’m very much looking forward to 2017 with so many great projects and releases coming up.

I’ve been producing and mixing a large popalbum/project with a well known Dutch singer/guitarist about which I can’t really disclose details yet, but we’re working really hard to make it groove even harder.

The film Wild Flower by Fathia Bazi is still going around festivals and had a wonderful Dutch premiere at the Eastern Neighbours Film Festival in the Hague.

Haider Aljezairi’s film The Last Wall is also still playing. This director has the most amazing life story: he’s a war reporter, a refugee and he made his first fiction film in a war zone.  He’s already working on new projects. Keep an eye out for his name, because this is truly a great talent of which we will undoubtedly hear more in coming years.

Wachtnacht a short by Ken van Mierlo is released online. I had a blast doing the sounddesign for this one and it had a good festival run as well. Also check out the music by Yero Pharaoh, a talented composer and generally great guy.

With visual artist Rosa Johanna I’ve just finished Trumpet, a short artistic movie to be shown in an art installation. I love collaborating with her because she always comes up with fresh and wild artistic ideas. She’s a great graphic designer too by the way.

I’m working with Dutch artist/writer/musician Emily Kocken on a performance and installation project for an exhibition. Emily is an inspiring artist. Her new book ‘De kuur’ will be released by Querido in the spring of next year.

I’m co-curating an exhibition next year at Tetem in Enschede. AKI Electrique will be shown from the 9th of February 2017

I’ve been doing a lot of commercials for radio/television and online lately. This Renault commercial is maybe the most interesting of the bunch from a sounddesign perspective, but I love doing functional design any day of the week.

I’ve been engineering for a writers camp during Amsterdam Dance Event at Studio de Keuken. A wonderful bunch of young producers and singers kicking out funky stuff. Here you can find a Spotify playlist from the participating artists.

I’ve been teaching philosophy at the AKI University of Arts this semester. Which has been a blast. I’ve met so many inspiring students that are working on a great variety of projects. It makes you wonder what this new generation will bring to arts.

My own music is also building steadily. This has always been a slow and tedious process for me, but I hope to release some new stuff in 2017.

I’ve been building a lot of equipment this year for different producers and studio’s and we’ve been rewiring the Votown Studio in Volendam. This studio is owned by Dutch musicians the 3 J’s and Jan Smit and which I have helped building from the ground up with Jaap Kwakman. These guys are great friends and some of the nicest people in music I know.

Have a great Christmas and a wonderful New Year!