Artikel over de gevolgen van flexibilisering in het onderwijs

Onlangs schreef ik een stukje op Scienceguide over de uitholling van het onderwijs door flexibilisering en managerslogica.

 

De Flexwet holt het onderwijs uit

24 juli 2018 | ‘Docent van het jaar 2018’, dat was de titel die Helga Donga praktisch tegelijkertijd ontving met haar ontslag op de Avans Hogeschool. Het contract van Donga wordt namelijk niet verlengd. Veel universiteiten en hogescholen geven nauwelijks vaste contracten.
De huidige ontwikkeling is niet alleen verdrietig voor Donga en voor haar studenten die een uitstekend docent moeten missen, maar ‘flexibilisering’, zoals dit eufemistisch wordt genoemd, heeft in de afgelopen jaren de structuur van het hoger onderwijs stilaan veranderd. Inhoudelijke kennis, expertise en onderwijskwaliteiten zijn hierdoor een ondergeschikte rol gaan spelen.

Onderwijs is een product geworden dat wordt geleverd door instellingen die gericht zijn op groei en bestuurd worden als grote ondernemingen. Docenten zijn in deze structuur steeds minder eigenaar van het onderwijs en worden de rol van bedienend personeel toebedeeld. Dit is niet alleen een praktische verandering, zoals hogescholen en universiteiten vaak willen doen geloven, maar gaat fundamenteel uit van een heel ander idee van wat onderwijs zou moeten zijn.

De inzet van eigen uitzendbureaus

Sinds de invoering van de flexwet in 2015 is het moeilijker geworden om het geven van een vast contract uit te stellen. Iemand heeft na twee tijdelijke contracten recht op een vaste overeenkomst. De gedachte was dat mensen nu makkelijker zouden worden aangenomen. “Mensen verdienen houvast, greep op hun leven” betoogde toenmalig Minister Asscher op ouderwets strijdbare sociaaldemocratische toon.

De realiteit is echter dat het personeelsbeleid van een groeiend aantal onderwijsinstellingen wordt verzorgd door eigen uitzendbureaus. Docenten krijgen tijdelijke contracten met nauwelijks onderhandelbare arbeidsvoorwaarden voorgelegd. Als ze goed functioneren, dan krijgen ze een eenmalige verlenging vaak gevolgd door het verzoek of ze zich een half jaar elders willen vermaken. Daarna mogen ze terugkeren onder een nieuwe tijdelijke overeenkomst.

“Docenten krijgen tijdelijke contracten met nauwelijks onderhandelbare arbeidsvoorwaarden voorgelegd.”

Het gevolg van dit beleid is dat sommige vakken worden gegeven door steeds weer nieuwe docenten die hopen met enthousiasme en overwerk toch te mogen blijven. Uit diverse onderzoeken (onderzoek SP, FNV, eigen monitor HvA, UvA) blijkt dat structureel onbetaald overwerk heel normaal is.

Tragikomische maatregelen

De instituten stellen de norm voor het aantal uren dat ze bereid zijn te betalen voor bepaalde werkzaamheden. Dat het aantal begrote uren zelden toereikend is, wordt gezien als de verantwoordelijkheid van de docent. Deze zou efficiënter met haar/zijn tijd moeten omgaan.

Sommige universiteiten en hogescholen zeggen een actief beleid te voeren om de werkdruk te verlagen. Ze nemen tragikomische maatregelen zoals cursussen ‘hoe om te gaan met stress’ en ontwerpen e-mailprotocollen waarin er bijvoorbeeld verteld wordt dat men ‘s avonds niet op e-mail hoeft te reageren. Hoe het werk dan af komt waar men overdag niet aan toekomt, staat niet in dat protocol. Eigenlijk blijkt hier vooral uit dat de instellingen niet zo zitten met overspannen personeel: uitval is slechts een reden om het contract niet te verlengen.

Bestuurder bepaalt slechts de structuur

Een veelgehoord argument is dat personele flexibiliteit noodzakelijk is omdat het moderne onderwijs dynamisch is: studentenaantallen fluctueren en de financiering is mede afhankelijk van de grillen van de Haagse politiek. De structuur van het onderwijs moet daarom zoveel mogelijk onafhankelijk zijn van het personeel. Het uitvallen van een docent mag immers de continuïteit van het onderwijs niet in gevaar brengen.

“Hoe het werk dan af komt waar men overdag niet aan toekomt, staat niet in dat protocol.”

Bestuurders benadrukken hierbij vaak dat ze zich niet met de inhoud van het onderwijs bemoeien, maar slechts de structuur bepalen. Het onderwijs wordt daarmee gezien als een trein die aan de gang gehouden moet worden door een capabel machinist. Het zou immers vreemd zijn om van iedere treinmachinist te verlangen dat zij/hij voor vertrek een eigen locomotief ontwerpt en bouwt.

Deze redenering legt een onderwijsvisie bloot die bestuurbaarheid en efficiëntie aanbidt. Dit zijn afgoden uit de kerk van het bedrijfsleven. Onderwijsinstellingen gedragen zich als ondernemingen die de precaire omstandigheden voor het personeel doelbewust creëren omdat dit bedrijfsmatig gunstig is. In de pseudo-commerciële realiteit van het hoger onderwijs is vast personeel immers een bedrijfsrisico. Het in stand houden van die onzekerheid heeft bovendien als voordeel dat het personeel geen onderhandelingspositie heeft en zich heel lastig collectief kan organiseren.

Deze bedrijfsmatige mentaliteit blijkt ook uit de managementstructuur, die lijkt op de structuur van een beursgenoteerd bedrijf, inclusief de privileges die CEO’s van moderne grote bedrijven zich veroorloven. Onder het mom van verhoging van de efficiëntie, is het college van bestuur steeds machtiger geworden. Hoewel er de afgelopen jaren opnieuw een steeds luidere roep was om democratisering, blijkt daar in praktijk maar weinig van terecht te komen.

Inspraak door studenten en docenten wordt gezien als raad die wordt meegenomen in de besluitvorming, maar niet als werkelijke machtsfactor. Deze rationaliteit komt ook terug in de lagere bestuursstructuren: waar de professor bijvoorbeeld van oudsher de baas van een vakgroep was vanwege expertise en belangwekkend onderzoek, gaat modern hoogleraarschap vooral over het vermogen om fondsen te werven en te beheren.

De universiteit als bedrijf

Zelfs de gebouwen die men in hoog tempo bouwt hebben tegenwoordig een flexibele structuur waarin het onmogelijk is om een eigen plek te creëren, vaak tot grote onvrede van het personeel. Uw werkplek wordt morgen bezet door een ander, aldus de disciplinerende uitstraling van de uniforme bureaus. Een dergelijke inrichting ontmoedigt bijvoorbeeld het werken met boeken – althans met meer boeken dan u dragen kunt – en ook hierdoor wordt een gevoel van autonomie actief tegengegaan.

Wie de universiteit als een bedrijf ziet en niet als een institutie, kan niet anders dan redeneren in termen van financiële efficiëntie. Men gaat hier echter geheel voorbij aan het feit dat onderwijsinstellingen instituties zijn, die zijn gebouwd op relaties en tradities die uit hun aard niet gestroomlijnd kunnen zijn.

“Wie de universiteit als een bedrijf ziet en niet als een institutie, kan niet anders dan redeneren in termen van financiële efficiëntie.”

Kennisoverdracht bestaat bij de gratie van de ruimte voor contact. Zelfontplooiing van studenten en docenten impliceert ook het afdwalen van platgetreden paden en het experimenteren met kaders en structuren. Daarmee zijn lessen altijd specifiek én tegelijkertijd onderhevig aan vorming door de traditie en het werkveld. Iedere docent is onderdeel van een permanente discussie onder gelijken over de lessen uit het verleden en de implicaties voor de toekomst van hun vakgebied. Hiervoor is het belangrijk dat het personeel een veilige omgeving wordt geboden. Zij moeten het vertrouwen hebben dat hun investeringen bijdragen aan een betere toekomst waar ook zij onderdeel van zijn.

Onderwijs is in essentie een creatieve bezigheid waarvan de kwaliteit grotendeels bepaald wordt door de overtuiging van mensen dat het zinvol is om hun kennis en ervaring over te dragen. Dat is de bron van hun enthousiasme en toewijding. Het moet een levende praktijk blijven van mensen – studenten en docenten – die, gedreven door passie voor de zorg voor hun vak en voor anderen, zichzelf binnen wettelijke kaders ontplooien door het vormgeven van hun eigen werk. Het management zou hierbij corvee moeten verrichten ten bate van het personeel en de studenten. Hierbij past bescheidenheid en een dienstverlenende houding.

NIEUWS – Leenstelsel leidt tot tweedeling in de maatschappij – ScienceGuide

Ik schreef een stuk voor ScienceGuide over de sociale gevolgen van de studiefinanciering gebaseerd op het leenstelsel.

Sinds de invoering van het leenstelsel in 2015 is het sociale doel van de studiefinanciering steeds verder op de achtergrond geraakt. De invoering van het stelsel brak ooit de wereld van het hoger onderwijs open waardoor iedereen die de capaciteiten had voor een studie, ook de mogelijkheid te geven om te studeren. Nu zijn de schulden die de studiefinanciering veroorzaakt steeds meer een extra belasting op armoede die de kans op opwaartse sociale mobiliteit beperkt.
Een rapport van het Nibud van afgelopen november kwam tot de verontrustende conclusie dat studenten gemiddeld steeds meer lenen. Kranten schreven over leenwoede onder studenten om zo op (te) grote voet te leven. De voorzitter van de AFM, Merel van Vroonhoven zegt zelfs dat er studenten zijn die lenen om in Bitcoins te beleggen .

De suggestie lijkt dat studenten het eigenlijk zo breed hebben, dat ze van gekkigheid niet weten wat ze moeten doen met het geld van al die publiek gefinancierde leningen. Een andere verklaring lijkt net zo logisch: de resultaten uit het Nibud rapport laten zich anders lezen wanneer men in ogenschouw neemt dat de studenten voor wie de studiebeurs het hardst nodig is, zich steeds minder inschrijven voor het hoger onderwijs. Al veel eerder bleek namelijk dat de invoering van het leenstelsel vooral negatieve gevolgen had voor de instroom van studenten uit kwetsbare groepen en voor de doorstroom van mbo’ers naar het hoger onderwijs. Dit zijn bij uitstek de groepen voor wie de financiering van een studie een uitdaging is en die in mindere mate kunnen rekenen op een bijdrage van de ouders.

Lenen is niet toereikend

Zelfs het hoogste leenbedrag is nauwelijks toereikend om in de grote studentensteden te wonen, te studeren en te leven. Studenten die fors gesteund worden door hun ouders, hebben hier minder last van. Voor hen is de DUO lening gedeeltelijk een extraatje. Deze jongeren hebben waarschijnlijk al minder leenvrees omdat zij opgroeien met het idee dat ze later dezelfde mate van financiële zekerheid zullen verwerven als hun ouders. Een schuld van 50.000 euro lijkt minder significant wanneer het bijvoorbeeld normaal is dat er thuis wel eens een auto voor een dergelijk bedrag gekocht wordt. Dit is ook een groep voor wie de kapitaaloverdracht steeds vroeger begint: veel ouders zien zich door de kamernood genoodzaakt om een koophuis te financieren voor hun kind; wat door de lage rente, de snel stijgende prijzen en een royale fiscale schenkingsregeling, ook nog eens een aantrekkelijke belegging is.

De wereld voor de student zonder ouders die kunnen of willen bijdragen aan de studie van hun kinderen ziet er heel anders uit. Met de invoering van het leenstelsel in 2015 is ook de terugbetalingstermijn uitgebreid. Een student mag de lening nu in 35 jaar terugbetalen, in plaats van in 15 jaar. Voor een student die de studie helemaal zelf financiert en met 25 jaar begint met terugbetalen, wil dat zeggen dat men met een bescheiden salaris bijna het hele werkzame leven terugbetaalt. Ook leent men meer doordat de gehele financiering nu een lening is geworden en de OV kaart nu ook moet worden afbetaald. Wie na de studie aan de slag wil als leraar of verpleegkundige zal ieder jaar weer worden geconfronteerd met een weging van het inkomen door de overheid waarbij een eventuele salarisverhoging dan keurig afgeroomd wordt door een verhoogde afbetaling.

Bovendien is het verkrijgen van een hypotheek door voor deze groep een stuk lastiger geworden aangezien de studieschuld inmiddels gewoon als schuld wordt aangemerkt door de bank. Zonder eigen huis is het door de kunstmatig laag gehouden rentes nauwelijks nog mogelijk om kapitaal op te bouwen. Sparen kost nu alleen nog maar geld. Tegelijkertijd zijn de woonlasten enorm gestegen en maken alleen de laagste inkomens nog kans op een sociale huurwoning waardoor het terugbetalen aan DUO voor veel gezinnen aanzienlijk drukt op het inkomen.

Daar komt nog bij dat zodra men fiscaal partner wordt, bijvoorbeeld door het krijgen van een kind, men ook mede verantwoordelijk is voor de studieschuld van de partner. Gaat de een meer en de ander minder werken, dan wordt alleen de betaalsleutel anders, de bedragen blijven gelijk. Ook als een van de twee de kans heeft om de schuld ineens af te lossen, bijvoorbeeld doordat men een bedrag erft, dan betaalt zij/hij voortaan meer mee aan de schuld van de partner. Het is daarmee niet onvoorstelbaar dat zich daardoor situaties kunnen voordoen waarbij de studieschuld belangrijke levensbeslissingen zoals samenwonen of kinderen krijgen direct beïnvloedt.

DUO als databoer

De data die DUO beheert, is bovendien zeer privacygevoelig. Vaak heeft men niet alleen jarenlange inkomensdata van de schuldenaar, maar ook van diens familie en partner. In een interview op Scienceguide bejubelde de directeur het nieuwe computersysteem van DUO. Ze zijn nu een “knooppunt van onderwijsdata” en “een heuse ICT-organisatie geworden”. Dat men opschept over de mogelijkheden van nieuwe datatechnologie, is reden tot zorg.

Eerder bleek al dat DUO er niet voor terugschrok om reisdata bij Translink op te vragen onder het mom van fraudebestrijding. Hoewel de organisatie zelf stelt “dat ze niet meer in zo’n grijs gebied terecht willen komen“, is het onduidelijk waar precies de grenzen liggen. De organisatie beheert immers zelf zoveel gevoelige data, dat analyse en koppeling van de reeds beschikbare data al vergaande gevolgen kan hebben. Het risico is dat de burger die aangewezen is op DUO te maken krijgt met een schuldeiser die preventief uw gangen nagaat. De studieschuld wordt daarmee steeds meer een vorm van curatelestelling.

Studielening leidt tot tweedeling

Studiefinanciering was ooit bedoeld om kansengelijkheid te bevorderen. De financiële situatie van de ouders moest geen belemmering zijn voor een kind om te kunnen studeren. Inmiddels grijpt het systeem intensief en langdurig in in het leven van juist de groepen die deze financiering het hardst nodig hebben. De aankomende student die niet in staat is om van huis uit geld mee te brengen, wordt voor een keuze gesteld die enorm ingrijpende gevolgen kan hebben voor het hele werkzame leven. Vooral voor jongeren die het als kind thuis niet ruim hadden, is het vooruitzicht op een hoge schuld een extra druk waarvan juist zij de consequenties maar moeilijk kunnen inschatten.

Terwijl ‘rijke’ studenten de studiefinanciering schijnen te zien als een goedkope lening die men aantrekkelijk elders kan investeren, staat de toegang tot het hoger onderwijs voor kwetsbare groepen door het huidige stelsel ernstig onder druk. De regering zou er daarom wellicht goed aan doen om nog eens te evalueren of het huidige stelsel van studiefinanciering niet een extra drempel opwerpt voor de groep voor wie de financiering bij uitstek bedoeld is; vooral in een tijd waarin het volgen van hoger onderwijs steeds meer wordt gezien als een startkwalificatie voor een kansrijke carrière.

NEWS – Opening New Histories, Bendigo Art Gallery

On April 14 2018 the filminstallation Attending to Agnes will open at the Bendigo Art Gallery in Bendigo Australia as part of the exhibition New Histories. It is made by the wonderful artists Pilar Mata Dupont, Seecum Cheung, Maike Hemmers, Isabelle Sully, and Flora Woudstra.

I did the audiomix for this installation.

The film is a monument to the Australian portrait artist Agnes Goodsir. While born in Australia, she was part of the vibrant art scene of Paris in the 1920s.

NIEUWS: Point of No Return in Huis de Pinto (updated)


Op 29 maart verzorgt schrijfster, kunstenaar en muzikant Emily Kocken een optimistische avond vol literatuur, performance en muziek in huis de Pinto. Details over de avond vindt u hier.  Ik maak op deze avond een opname in  samenwerking met Emily in het kader van het project ‘Carried by Charlotte’ dat later dit jaar gepresenteerd zal worden tijdens een tentoonstelling in Gallery C&H.

Het project is geïnspireerd op de bijzondere kunstenaar Charlotte Moorman. Deze celliste maakte deel uit van de Fluxusbeweging en was in de jaren ’60 onderdeel en organisator van de legendarische ‘happenings’.

Vergeet niet om tijdig te reserveren.

De twijfelachtige ethiek van homeopathie

(foto: Ashley Vincent)
Hoewel Rosanne Hertzberger in haar column van 30 september (‘Homeopathie in zijn geheel bij het vuil te zetten is zonde en contraproductief’)aangeeft dat zij ook wel inziet dat homeopathie en andere kwakzalverij hun oorsprong vinden in bedrog of in misinformatie, pleit zij er toch voor dat artsen patiënten zouden moeten doorverwijzen naar deze ‘alternatieve behandelaars’ omdat we de placebowerking van deze nepgeneesmiddelen serieus zouden moeten nemen.
Hertzberger lijkt zich te vergissen in het werkingsmechanisme van een placebo. Het blijkt inderdaad uit gedegen onderzoek dat bij aspecifieke klachten zoals hoofdpijn of moeheid waarvan de oorzaak na medisch onderzoek niet goed is aan te wijzen, blijkt dat het innemen van een nepmiddel kan leiden tot een kleine, maar significante vermindering van de subjectieve ervaring van deze klachten. Patiënten geven dan mondeling aan, na inname van wat later zal blijken een nepmiddel, bijvoorbeeld minder hoofdpijn of moeheid te ervaren. In onderzoek waarin het meten van verbetering plaatsvond met een objectieve test, zoals bijvoorbeeld een bloeddrukmeting, blijkt er geen placebo effect op te treden.
Nu is het isoleren van het effect van het innemen van het middel alleen zelf ten opzichte van andere factoren extreem lastig. Zo blijkt bijvoorbeeld dat er ook een placebo effect uitgaat van de uitgebreide monitoring die met een dergelijk wetenschappelijk onderzoek gepaard gaat en zo zijn er nog veel omgevingsfactoren die een rol kunnen spelen in het resultaat.
Zelfs als we er voor het gemak even vanuit gaan dat het positieve effect afkomstig is van de inname van het nepmiddel, dan is gebleken dat als de patiënt weet dat hij/zij een middel krijgt toegediend dat geen werkzaam effect heeft, de placebowerking wegvalt. Het geloof in het middel, is in tegenstelling tot het anekdotisch bewijs dat Hertzberger aanhaalt, wel degelijk essentieel voor de werking (zie hiervoor bijvoorbeeld de uitgebreide analyses op de gerenommeerde website sciencebasedmedicine.org)
Voor een succesvolle behandeling met een placebo is het dus belangrijk dat de patiënt gelooft dat de behandeling werkt. Dat we niet van artsen kunnen vragen om te liegen tegen patiënten ziet Hertzberger ook wel in en daarom zouden zij moeten doorverwijzen naar kwakzalvers. Zij lijkt hiermee een twijfelachtig ethisch verschil te suggereren tussen de arts die direct liegt tegen een patiënt of de arts die doorverwijst naar iemand die het liegen overneemt. Of de kwakzalver zelf gelooft in de werkzaamheid van zijn/haar handelen, doet er wat dat betreft niet toe, want de arts kan de patiënt niet volledig en juist informeren omdat de behandeling anders zo goed als zinloos zou zijn.
Waarom Hertzberger het beperken van alternatieve geneeswijzen paternalistisch vindt, maar tegelijkertijd artsen wil aanmoedigen om hun machtspositie te misbruiken om patiënten voor eigen bestwil illusies voor te spiegelen, is een raadsel. Dat ze patiënten hiermee grond biedt voor een gemotiveerd wantrouwen tegen artsen en daarmee het risico op niet of laat behandelen van ernstige ziekten vergroot, lijkt me precies de reden waarom we het advies van de EASAC serieus moeten nemen en homeopathie en andere kwakzalverij ernstig zouden moeten beperken of verbieden.

NEWS – 2017 is coming!

In contrary to the recent silence on this website, I have been incredibly busy last couple of months and I’m very much looking forward to 2017 with so many great projects and releases coming up.

I’ve been producing and mixing a large popalbum/project with a well known Dutch singer/guitarist about which I can’t really disclose details yet, but we’re working really hard to make it groove even harder.

The film Wild Flower by Fathia Bazi is still going around festivals and had a wonderful Dutch premiere at the Eastern Neighbours Film Festival in the Hague.

Haider Aljezairi’s film The Last Wall is also still playing. This director has the most amazing life story: he’s a war reporter, a refugee and he made his first fiction film in a war zone.  He’s already working on new projects. Keep an eye out for his name, because this is truly a great talent of which we will undoubtedly hear more in coming years.

Wachtnacht a short by Ken van Mierlo is released online. I had a blast doing the sounddesign for this one and it had a good festival run as well. Also check out the music by Yero Pharaoh, a talented composer and generally great guy.

With visual artist Rosa Johanna I’ve just finished Trumpet, a short artistic movie to be shown in an art installation. I love collaborating with her because she always comes up with fresh and wild artistic ideas. She’s a great graphic designer too by the way.

I’m working with Dutch artist/writer/musician Emily Kocken on a performance and installation project for an exhibition. Emily is an inspiring artist. Her new book ‘De kuur’ will be released by Querido in the spring of next year.

I’m co-curating an exhibition next year at Tetem in Enschede. AKI Electrique will be shown from the 9th of February 2017

I’ve been doing a lot of commercials for radio/television and online lately. This Renault commercial is maybe the most interesting of the bunch from a sounddesign perspective, but I love doing functional design any day of the week.

I’ve been engineering for a writers camp during Amsterdam Dance Event at Studio de Keuken. A wonderful bunch of young producers and singers kicking out funky stuff. Here you can find a Spotify playlist from the participating artists.

I’ve been teaching philosophy at the AKI University of Arts this semester. Which has been a blast. I’ve met so many inspiring students that are working on a great variety of projects. It makes you wonder what this new generation will bring to arts.

My own music is also building steadily. This has always been a slow and tedious process for me, but I hope to release some new stuff in 2017.

I’ve been building a lot of equipment this year for different producers and studio’s and we’ve been rewiring the Votown Studio in Volendam. This studio is owned by Dutch musicians the 3 J’s and Jan Smit and which I have helped building from the ground up with Jaap Kwakman. These guys are great friends and some of the nicest people in music I know.

Have a great Christmas and a wonderful New Year!

Minister Schippers legitimeert kwakzalverij

resolve
Van ‘alternatieve geneeswijzen’ is niet bewezen dat ze werken of is allang bewezen dat ze niet werken. ‘Alternatieve geneeswijzen’ waarvan aangetoond is dat ze werken, zijn per definitie niet alternatief en behoren tot de reguliere geneeskunde.

Groot was de verbazing toen bleek dat de Inspectie van de Gezondheidszorg vanaf 1 januari toezicht gaat houden op de bonte verzameling aan alternatieve zorgaanbieders. Het klinkt goed, toezicht houden, maar wat betekent dit precies? Minister Schippers zegt in het Algemeen Dagblad van 14 december:

’Veel mensen maken gebruik van alternatieve geneeswijzen. Ik vind het daarom van groot belang dat patiënten meer rechtszekerheid krijgen, een klacht kunnen voorleggen aan een klachtenfunctionaris en kunnen zeggen: ik ben onjuist behandeld.’

De hamvraag is nu: wat is een ‘juiste’ behandeling? Het klinkt u wellicht vreemd in de oren, maar in Nederland mag iedereen geneeskunde bedrijven. Er is weliswaar een hele lijst met handelingen die alleen door medisch geschoold personeel mag worden verricht, maar mocht u het idee hebben dat u bijzondere helende krachten heeft in uw rechterpink, dan staat het u vrij om een bordje op de gevel te spijkeren en een wachtkamer in te richten. Als u, als hoofd van uw zojuist opgerichte beroepsvereniging, gelijk vaststelt dat een juiste behandeling alleen met de rechterpink dient te gebeuren, gaat de inspectie behandelingen met de linker pink dan sanctioneren?

We moeten geen inspecties instellen die kwakzalvers en andere magische denkers mee laten liften op de legitimiteit van medisch geschoolde professionals. De ‘alternatieve behandelaars’ hebben immers veel baat bij branchevervaging. Deze vindt nu al plaats doordat huisartsen met behept met een Hollandse handelsgeest praktijkruimte verhuren aan alternatieve zorgaanbieders. De meeste zorgverzekeraars houden bij aanvullende verzekeringen de standaard ‘u vraagt, wij draaien’ aan en hebben geen problemen met het vergoeden van bewezen ineffectieve behandelingen zoals acupunctuur, homeopathie en chiropractie. Patiënten krijgen daardoor het idee dat dergelijke behandelingen medisch verantwoord zijn. De verzekeraars zeggen immers in iedere bijzin dat ze vooral erg goed kijken naar de kwaliteit van de zorg in het belang van de patiënt.

De Minister zou wellicht een erkende medische opleiding verplicht kunnen stellen voor alle behandelaars. Daarnaast zou zij aan ’alternatieve’ geneeswijzen dezelfde eisen kunnen stellen als de reguliere geneeskunde wat betreft werkzaamheid en veiligheid. Men hoeft geen praktijk als koffiedikkijker te hebben, om in te zien dat daar de patiëntveiligheid pas echt mee gediend zou zijn.